Superrechter met te veel vijanden

De Spaanse rechter Baltasar Garzón zette ETA-leden, Spaanse politici en drugsdealers achter de tralies. Nu dreigt hij zelf de beklaagdenbank in te gaan.

Het is een bont gezelschap, dat momenteel met plezier het laatste nieuws over Baltasar Garzón tot zich zal nemen. ETA-leden, Latijns-Amerikaanse mensenrechtenschenders, internationale drugshandelaren, corrupte Spaanse politici en zakenlieden, moslimterroristen, Israëlische en Amerikaans (oud-)regeringsfunctionarissen: allemaal werden ze de afgelopen jaren op de korrel genomen door de Spaanse onderzoeksrechter. Maar nu kunnen ze genietend toezien – soms vanuit de cel – hoe Garzón zelf in de beklaagdenbank dreigt te komen.

De magistraat hangen drie klachten boven het hoofd die burgers met succes bij het Hooggerechtshof hebben ingediend. Zodra Garzón hiervoor ook daadwerkelijk wordt aangeklaagd, wordt hij waarschijnlijk tijdelijk op non-actief gesteld. Een besluit dat elk moment kan vallen.

Zijn medestanders spreken nu al over een „politieke afrekening binnen de gerechtelijke macht”. Garzón (1955) zelf vreest dat zijn reputatie, ook na vrijspraak, te zeer zal zijn aangetast om zijn oude baan nog te kunnen hervatten.

Garzón werkt bij de Audiencia Nacional, het nationale gerechtshof in Madrid dat alle grote strafzaken in Spanje afhandelt. Voor een rechter van instructie is daarbij in het politieonderzoek en de voorbereiding van de rechtszaak een prominente rol weggelegd. Hier wist Garzón de afgelopen twee decennia faam te verwerven door vele spraakmakende zaken naar zich toe te trekken.

De superrechter slaagde hierin door een bijna even grote dosis ijdelheid als ijver aan de dag te leggen. Zijn vader, een Andalusische olijfboer die in de jaren zeventig een pompstation begon, vertelde hem als jongen dat hij alleen met hard werken ergens zou komen. „Je moet de zon zien opkomen.” Zijn rechtenstudie betaalde hij grotendeels zelf uit bijbaantjes als bouwvakker, ober en pompbediende in zijn vaders tankstation. Na een bliksemcarrière bij Justitie, belandde hij in 1988 als piepjonge magistraat bij de Audiencia Nacional. Daar greep hij elke zaak aan – helemaal als deze garant stond voor veel media-aandacht.

Zo vloeit de eerste klacht tegen hem voort uit een van de meest brisante zaken die ooit in Spanje werd begonnen. In 2006 stelde Garzón een onderzoek in naar alle misdaden tijdens de burgeroorlog en de daaropvolgende dictatuur van generaal Franco. Hij deed dit op verzoek van nabestaanden, maar moest zijn werk staken toen bepaald werd dat hij daartoe niet bevoegd was. In de klacht, ingediend door een falangistische groepering, wordt Garzón ambtsmisbruik verweten. Hij zou hebben geweten dat hij de misdaden niet mocht onderzoeken, omdat ze vallen onder de amnestieregeling die in 1977 na de dood van Franco werd ingevoerd.

Maar Garzón is van die regeling nooit een voorstander geweest. „Ik gaf een voorkeur aan een radicale breuk met het verleden. [...] En zo denk ik er nog steeds over.”

Een van de afspraken tijdens de transitie naar democratie, was dat de gerechtelijke macht niet opgeschoond zou worden, en dat alle partijen evenveel invloed mochten uitoefenen op nieuwe rechterbenoemingen. Hierdoor is de Spaanse magistratuur, net als de rest van de samenleving, in sterke mate langs politieke lijnen verdeeld. Daar bovenop vechten magistraten onderling ook nog heftige persoonlijke vetes uit.

Met laatdunkende opmerkingen over het gebrekkige arbeidsethos van zijn collega’s en dankzij zijn eigen internationale sterstatus, heeft Garzón in deze slangenkuil veel vijanden gemaakt. Zo werd de klacht tegen Garzón weliswaar in behandeling genomen door een rechter met een progressieve reputatie, maar van deze Luciano Varela is ook bekend dat hij een hartgrondige afkeer jegens Garzón zou koesteren.

„Hij betaalt nu de prijs voor het feit dat hij de meest onafhankelijke rechter ter wereld is”, stelde Garzóns advocaat vorige maand. Maar veel rechtse Spanjaarden geloofden allang voordat hij het burgeroorlogonderzoek begon niet meer in zijn onafhankelijkheid.

Het is het gevolg van een korte uitstap die Garzón begin jaren negentig maakte naar de politiek. Hij had daarvoor juist een schandaal over een paramilitair doodseskader opgerakeld dat de toenmalige socialistische regering-González in steeds grotere problemen bracht. Net toen rechts weer kans zag op een terugkeer naar de macht, liet Garzón zich door González overhalen zich voor de socialisten verkiesbaar te stellen.

Na de, mede dankzij hem gewonnen, verkiezingen werd hij echter feitelijk op een zijspoor gezet. Een jaar later stapte Garzón gedesillusioneerd uit de politiek, keerde terug als rechter en zette zijn tanden opnieuw in de GAL-zaak. Het vertrouwen van velen op rechts was hij echter kwijt.

Zo publiceert El Mundo, een rechtse krant die Garzón ten tijde van de GAL-zaak nog voordroeg voor de Nobelprijs, nu bijna dagelijks artikelen die hem moeten beschadigen. Ook in de rechtse Volkspartij (PP) heeft Garzón vele verklaarde vijanden. Haar zou een schorsing van de rechter momenteel goed uitkomen: vorig jaar opende Garzón een onderzoek naar een omvangrijk corruptieschandaal binnen de partij.

Garzón liet al enkele prominente PP’ers gevangenzetten en vervolgens de gesprekken afluisteren die ze vanuit de cel met hun advocaten voerden. Ook hierover heeft het Hooggerechtshof een klacht in behandeling genomen. Voor Garzón reden om te stellen dat alle klachten tegen hem niet alleen dienen om „mijn professionele loopbaan, maar vooral mijn werk aan lopende strafrechtelijke onderzoeken te beëindigen”.