Stoppen bij bloemenwinkel voor meneer Atatürk

Arnon Grunberg reist van Istanbul naar Bagdad en doet verslag van zijn belevenissen. Aflevering 4.

De snelweg van Istanbul naar Ankara is riant. De voorspelling dat na Istanbul het Midden-Oosten begint, klopt qua snelweg niet.

In een buitenwijk van Istanbul heeft de chauffeur, Umit, afscheid van zijn vrouw en zijn schoonzus genomen. In zijn vrije tijd is hij modelbouwer. Bij een tankstation laat hij foto’s van zijn modelschepen zien.

De wens dat in Ankara de geur van Irak een beetje zal zijn op te snuiven komt ook niet uit. Weliswaar begint direct naast het hotel een sloppenwijk, maar het geheim van Irak zit niet in sloppenwijken.

Nu ik door Turkije reis, voel ik mij verplicht het mausoleum van Atatürk te bezoeken.

Onderweg naar het mausoleum zegt mijn tolk, Gül: „Laten we stoppen bij een bloemenwinkel. Ik wil een bloemetje meenemen voor meneer Atatürk.’’

Het woord ‘meneer’ ontroert mij.

Gül is nerveus omdat een commissie van het Amerikaanse Congres een resolutie heeft aangenomen waarin gerept wordt van „Armeense genocide”.

Volgens Gül moeten wetenschappers het laatste woord over die genocide nog spreken. „Bovendien”, zegt ze, „zijn de meeste Armeniërs vermoord door Koerdische bandieten.”

Voor de ingang van het mausoleum houden twee Turkse soldaten de wacht. Ze herinneren me aan de soldaten die vroeger bij het Graf van de Onbekende Soldaat in Oost-Berlijn stonden.

De bouw van het mausoleum maakt duidelijk dat persoonsverheerlijking niet voorbehouden is aan communistische en fascistische ideologieën.

„Ze hebben hem iets vreselijks aangedaan,” zegt Gül, „vroeger lag Atatürk veel beter.”

Een tijd lag Atatürk in een paleisje dat tegenwoordig het etnografisch museum herbergt. Voor de ware persoonsverheerlijking was dat paleis te klein.

Naast het mausoleum van Atatürk bevindt zich een museum over zijn leven, met daarin onder andere zijn pyjama, zijn rijbroek, zijn hoge hoed en zijn opgezette hond.

Ik zou ook verheerlijkt willen worden als ik dood ben.

’s Avonds dineren we in een restaurant met drie archeologen, kennissen van mijn assistente. Een van de archeologen, Ilknur Özgen, een gezette Turkse dame, zegt: „Het leger is onze redding. Ik wil niet dat we honderd jaar teruggaan in de tijd. Als ik zie dat de vrouw van onze president een hoofddoekje draagt, doet me dat pijn.”

De ene Turk wil het leger vernietigen, de andere wil door het leger gered worden.

Muzikanten zingen een liefdeslied.

„Wat zingen ze?” vraag ik.

„Het liefdeslied heet”, zegt Gül, „Jij hebt me vernietigd.”

Ware liefde is vernietigend. Dat hebben de Turken goed begrepen.

(wordt vervolgd)