Scholen moeten kleiner

Ouders willen kleine scholen. Maar daar hebben schoolbesturen geen enkele boodschap aan. Maak defuseren en afscheiding daarom gemakkelijk, stelt Leo Prick.

‘Het is een eliteprobleempje, natuurlijk, de zoektocht naar een gymnasium in Amsterdam.” Aldus de openingszin van vader Hans van Wetering, die er verderop aan toevoegt dat er wel meer aan de hand is in de wereld (Opiniepagina, 4 maart). Waarmee hij het gras wegmaait voor de voeten van eventuele critici die zich afvragen waarom zijn zoon of dochter zo nodig naar een gymnasium moet. Is een ‘gewone’ school niet goed genoeg?

Steeds vaker zien we dat ouders ontevreden zijn over het onderwijsaanbod waar zij op zijn aangewezen. Logisch, want wat scholen in de aanbieding hebben is de afgelopen decennia steeds verder af komen staan van wat ouders willen. Het onderwijsaanbod in Nederland is niet afhankelijk van waar ouders om vragen, maar van wat schoolbesturen wenselijk vinden om aan te bieden. Terwijl het voor wat de huizenmarkt betreft vanzelfsprekend wordt gevonden rekening te houden met regionale ontwikkelingen in de vraag naar woonruimte, sluit het scholenaanbod voor wat het havo en vwo betreft op de meeste plaatsen al lang niet meer aan bij de vraag.

Op sommige plaatsen is er te veel, op andere te weinig. Dat daardoor bijvoorbeeld jaarlijks voor 3.500 jongens geen plaats is op een school voor vwo terwijl ze daar wel de capaciteiten voor hebben, wordt niet eens opgemerkt.

De gebrekkige afstemming van vraag en aanbod in bepaalde gebieden leidt ertoe dat scholen die wel aan de wensen van de ouders voldoen, steeds vaker nee moeten verkopen. Met als gevolg loting en het hanteren van steeds strengere criteria voor toelating.

Dit is bepaald niet een eliteprobleempje, want als gevolg van die strengere criteria krijgen basisscholen in toenemende mate te maken met de druk van ouders die van de school verlangen dat hun kinderen zo hoog mogelijk scoren op de Cito-toets. Daar slagen scholen uiteraard het beste in als ze werken met leerlingen die van huis uit al heel wat meekrijgen. Leerlingen daarentegen met bijvoorbeeld een taalzwakke achtergrond werken remmend bij dat collectieve toewerken naar een zo hoog mogelijke prestatie voor de eindtoets. Daar wil je er als school dus zo weinig mogelijk van hebben. Als het aanbod van scholen voor voortgezet onderwijs niet aansluit bij de wensen van de ouders, verplaatst het selectieprobleem zich naar de basisschool. Dat zie je bijvoorbeeld in Frankrijk, waar een goed aangeschreven elitaire basisschool een haast noodzakelijke voorwaarde vormt voor een succesvolle onderwijsloopbaan.

Van Wetering kwalificeert zijn probleem dan ook ten onrechte als elitair. Het tegendeel is het geval. De strijd om een plaats op een van de Amsterdamse gymnasia bevordert de ontwikkeling van elitaire basisscholen, bevordert dus de segregatie in het basisonderwijs en gaat uiteindelijk ten koste van kinderen uit kansarme gezinnen.

Van scholen voor havo en vwo hebben we er gemiddeld genomen niet alleen te weinig, ze zijn ook vaak te massaal en dat is wat ouders niet willen. Die willen een niet al te grote, overzichtelijke school waar hun kind gekend wordt. En of het nu gaat om mavo of gymnasium, daarvan zijn er gewoon veel te weinig.

Inmiddels heeft het ministerie besloten verdere schaalvergroting tegen te gaan door de invoering van een fusietoets, maar die maatregel komt natuurlijk veel te laat. Het kwaad is al lang geschied. Vandaar ook ideeën om het defuseren mogelijk te maken. Maar daar verwacht ik weinig van. Besturen ontlenen hun macht en aanzien aan de omvang van hun scholenbestand. Die zullen daar dus nooit vrijwillig aan meewerken. Vandaar dat ik als enige oplossing de volgende twee maatregelen zie.

In de eerste plaats: als leraren en ouders dat willen, moeten scholen het recht krijgen om uit hun bestuur te treden en zelfstandig of onder een andere bestuurlijke vlag verder te gaan. Daarnaast moet de mogelijkheid worden verruimd voor ouders om nieuwe scholen te stichten. Nu is dat welhaast onmogelijk. Deze maatregelen zullen er niet alleen toe leiden dat het havo/vwo-aanbod in kwantitatieve zin wordt aangepast aan de vraag, maar zullen ook leiden tot een betere kwalitatieve afstemming van het onderwijsaanbod aan wat ouders en leraren wenselijk vinden. Vermoedelijk zal er na de komende verkiezingen een Kamermeerderheid zijn te vinden voor een initiatief-wetsontwerp dat dit mogelijk maakt.

Leo Prick is medewerker van NRC Handelsblad.