Rothko kopiëren & historie maken

De Boekenweek met het thema ‘Titaantjes – opgroeien in de letteren’, start vandaag.

Joost Zwagerman schreef sinds lange tijd weer fictie: het Boekenweekgeschenk Duel.

Duel, Joost Zwagermans Boekenweekgeschenk, is zijn eerste fictiewerk sinds acht jaar. Zoiets wekt verwachtingen. Wat zou er in die acht jaar zijn veranderd?

Het verhaal van Duel speelt zich af in de wereld van het museum. Hoofdpersoon Jelmer Verhooff is directeur van het Hollands Museum, dat als twee druppels water lijkt op het Amsterdamse Stedelijk. Op last van de brandweer moet het ingrijpend worden verbouwd, dus Jelmer beheert al snel een gesloten museum. Hij gaat er zelfs wonen als antikraakwacht en wordt zo de bedwinger van ‘een enerverende leegte’, die we misschien ook mogen opvatten als een symbool voor de zorgelijke toestand van de hedendaagse beeldende kunst.

Vlak voor het museum dichtgaat, organiseert Jelmer nog een tentoonstelling (titel: ‘Duel’), waarvoor jonge kunstenaars zich laten uitdagen door ‘moderne meesters’ uit de museumcollectie. Geen van hen schildert of beeldhouwt – op één uitzondering na: Emma Duiker. Met verf en penseel kopieert zij een schilderij van Mark Rothko, op gezag van een Amerikaanse kunstcriticus die ‘alles’ tot kunst heeft uitgeroepen. Daar valt dus ook de al bestaande kunst onder, concludeert Emma, volgens een consequente maar daarom niet minder bezopen redenering. Naast haar kopieerarbeid heeft Emma nog een ander ‘project’ bedacht, waarvan Jelmer onbedoeld deel gaat uitmaken. Met fatale gevolgen, want door zijn schuld wordt een van de topstukken van het museum zwaar beschadigd. Het doel van Emma’s ‘project’? De kunst uit het museum te halen en weer direct onder de mensen te brengen. Ziedaar de ‘stille revolutie’ waarmee zij ‘geschiedenis’ hoopt te schrijven.

Emma’s doel zal iedere Zwagerman-lezer bekend in de oren klinken. Het correspondeert met zijn eigen, in bijna elke essaybundel herhaald pleidooi voor een literatuur die zich niet in zichzelf terugtrekt, maar openstaat voor de grote buitenwereld. Zwagerman wil een – naar mijn idee: imaginair – verbod opheffen. Ruimhartig verklaart hij in zijn Kellendonklezing van 2006: ‘Alles mag meedoen’, en hij droomt intussen van romans, ‘die zich én stevig verankerden in de eigen tijd én afdaalden in de contreien van eeuwiger vragen naar de menselijke ervaring’.

Los van de vraag of het adjectief ‘eeuwig’ een vergrotende trap verdraagt, kun je je afvragen of Zwagerman hier niet probeert van twee walletjes te eten. Maar je zou zijn houding ook redelijk kunnen noemen. Raadselachtig blijft alleen, waarom hij voor een zo weinig uitgesproken programma keer op keer zijn stem meent te moeten verheffen.

Een mogelijk antwoord wordt gesuggereerd in zijn Kellendonklezing. Daarin vertelde Zwagerman dat zijn roman De buitenvrouw uit 1994 kort na verschijnen middelpunt was geworden van een onstuimige controverse. Zwagerman vergiste zich. De controverse die hij bedoelde, bestond uit een artikel in NRC van Anil Ramdas uit 1997, dus drie jaar later. Freud zou er een typisch geval van fehlleistung in hebben gezien: onbewust onthulde Zwagerman hoe graag hij zo’n controverse had willen hebben. Wat Zwagerman eigenlijk verlangt is dat roman en straatrumoer samenvallen. Anders gezegd: dat de literatuur weer dé spraakmakende factor wordt in het maatschappelijk debat. Daarom moeten romans van hem stevig verankerd zijn in hun eigen tijd.

Voor De buitenvrouw geldt dat laatste beslist. Van al Zwagermans romans beantwoordt De buitenvrouw het best aan zijn poëticale principes. Het is een roman waarin via de buitenechtelijke relatie van de blanke leraar Nederlands Theo Altena met de zwarte gymjuffrouw Iris Pompier de raciale haken en ogen van de multiculturele samenleving worden verkend. Genuanceerd en zonder goedkoop moralisme – wat een hele prestatie is, zeker in 1994, zij het ook toen niet voldoende voor een knallende rel.

Hoe zit het met zijn andere romans? Zwagerman wordt soms een ‘chroniqueur van zijn tijd’ genoemd. Terecht wat mij betreft. In romans als Gimmick! (1989) en Chaos en Rumoer (1997) waait de postmoderne tijdgeest van weleer je tegemoet. Wel betreft het steeds een zeer beperkt maatschappelijk segment: in de eerste roman een luidruchtig clubje Amsterdamse kunstenaars, in de tweede het literaire bedrijf, inclusief de mediale vertakkingen daarvan. De grote buitenwereld blijft angstvallig buiten schot. In Vals Licht (1991) komen prostitutie en drugshandel aan de beurt, in Zes sterren (2002) zelfmoord en de ontreddering van de nabestaanden – belangrijke onderwerpen, zonder twijfel, maar karakteristiek voor de eigen tijd zijn ze niet. Geen wonder dat deze romans, hoewel veel gelezen, nooit brede discussie, laat staan controverse, hebben uitgelokt. Misschien moet Zwagermans romanoeuvre het bij nader inzien wel meer hebben van die ‘eeuwiger vragen naar de menselijke ervaring’.

Dat Zwagerman het adjectief een beetje geweld aandeed, wordt begrijpelijk als we die vragen nader bezien. Het blijkt niet zozeer om eeuwige, als wel om persoonlijke vragen te gaan. In bijna al zijn romans duiken ze op, nauw gelieerd aan het karakter van de hoofdpersonen. Dat zijn namelijk stuk voor stuk helden op sokken. Zwagerman verankert zijn helden al dan niet stevig in hun eigen tijd, maar die helden willen niets liever dan daaraan ontsnappen.

Wat bezielt deze personages? Gelet op Zwagermans verknochtheid aan de provincie zou je kunnen denken aan de angst van de provinciaal voor de grote stad. Of anders: de angst van het kind voor de grotemensenwereld. In Zwagermans volwassen helden zit vaak een bang kind verborgen.

Zo ook in de hoofdpersoon van Duel, dat begint met een pijnlijke jeugdherinnering: Jelmer die van de hoge duikplank springt en ‘plat op zijn buik’ terechtkomt. Dat belooft niet veel goeds, en ja hoor, als het later faliekant misgaat laat Zwagerman hem weer even als ‘een jongetje om zijn moeder’ roepen. Hier hebben we niet alleen een persoonlijke, maar ook een algemene (‘eeuwiger’) menselijke ervaring te pakken. Helaas heeft deze ervaring iets te veel van een cliché om diepe indruk te maken.

In De buitenvrouw laat Zwagerman zijn Theo Altena de mening verkondigen ‘dat clichés niet bestaan en alleen maar zo werden genoemd door mensen die niet met de waarheid konden leven’. Voor een schrijver lijkt me dit een riskante opvatting. Clichés mogen vaak waar zijn, de literatuur kan er toch niet zonder meer genoegen mee nemen. Een clichématige waarheid stelt op zichzelf niets voor, net zoals een roman niet automatisch levendig wordt als je er straatrumoer in stopt. Doorslaggevend is de manier waarop het gebeurt. In een roman komen waarheid en leven uit de taal, uit de stijl en niet te vergeten uit het verhaal. Literatuur is een zaak van vorm en betekenis, waarbij de betekenis, dat wat een verhaal te zeggen heeft, ook wordt uitgedrukt in de wijze van vertellen.

Zulke literatuur heeft Zwagerman nooit geschreven. Met zijn solide realisme en zijn niet ongeestige satire stoot hij niemand literair voor het hoofd, evenmin met het postmoderne spel dat hij zich daarbij veroorlooft. Zwagerman schrijft romans voor het hele gezin. Iedereen leest ze met plezier, want hij is een eerste klas vakman. En toch ontbreekt er iets, een je ne sais quoi, dat volgens mij alles te maken heeft met de nooit uitgediepte ambivalentie van zijn poëticale verlangens. Het is wel degelijk mogelijk een indrukwekkende tijdsroman te schrijven die tegelijk afdaalt naar de ‘eeuwiger’ vragen van de persoonlijke én algemeen menselijke ervaring. Maar waarom lukt het Zwagerman niet? Ik vermoed: omdat een ingebakken redelijkheid, of liever: een angst om onredelijk te zijn, hem tegenhoudt.

Lees het hele essay en discussieer mee op nrcboeken.nl.

Joost Zwagerman: Duel. CPNB, 96 blz. Vanaf vandaag gratis bij besteding van € 12,50 aan boeken.