Radicaal Intiem

Met dit gedicht heeft de Dichter des Vaderlands, Ramsey Nasr, gisteravond het Boekenbal, Bal der Titanen, ingeluid. Het gaat over zijn persoonlijke Titanen, allen dichters van rond 1900: Van Deyssel, Kloos, Boutens, Leopold en Gorter.

1.

Dat was in de dagen der titanen. Men at schorseneren, kauwde sigaren.

Vermoeide dichters werden op de rug gedragen.

Daar waren nog geen voorvaderen. Het universum rook fris van de brand.

Ze banjerden rond in hun eerste lente: vlassige knevels, driedelig pak

wandelstok los in de tachtigershand.

Titanen spraken in navelen

zij kenden geen schaamte, gingen in goudmuiltjes over straat.

Rondom hen hing lichtgeknetter, voortgebracht door een apparaat

dat zij hun Gedachtenharp noemden.

Het ding was van a tot z verzonnen, maar fakkelde rustig de heuvelen af.

Bloemen smeulden onder hun stappen.

Heel de wereld lag teder en zwart.

2.

Mijn eerste keer was een inbraak van vlees.

Daar kwam hij reeds, de reus die licht gaf

meest onontkoombare van allen.

Onder mijn kleren stak hij zijn vele handen uit

hij streelde mijn neus en mijn mond en mijn haar

en ’t was op een dinsdag en ’k zat in de klas, maar

mijn hals werd sneeuw, mijn ogen kristallijn.

Plots was daar iemand die mij wilde zijn.

En hij meende het, toonde me handvlammen in het donker

haalde lachmuntjes uit kokers tevoorschijn

luchtgeluidjes die nergens toe dienden

honderden stukjes kolengeflonker

en zo ging het maar door, tot hij zelf liep te wenen in zijn verzen

en met zesentwintig smeltende letters

op me inbeukte als op het leven.

Titanen, ooit hadden ze kansels omvergeblazen.

Zij bezaten de kelen van schemering

en nu was ook ik totaal overgeleverd.

Daar, uitzwermend aan de hemel, in tintellichtluchten

met engelen fluks in wevegoudwaden

daar vloog nu het wolkevolk langs, zwaaiend naar beneden

waar ik al lezend een broodje kaas zat te eten

om dan vanuit al hun navels kanonnen af te vuren

vol ether en vrolijk windgezang

ze lieten niet af. Lam, uitgeput gaf ik op

liet de strofen in clusters over mij dalen

zag de woorden der tederheid in me schroeien

sissend en fluisterend tot op het bot.

Heel mijn pose in puin.

Op de grond aan mijn voeten

lag gezandstraald en nieuw

een voorgoed verzonnen ziel

klaar en bereid om te passen.

Op goudmuiltjes tuimelde ik in de deemster naar huis

onwennig flakkerend.

3.

Het waren de ongenaakbare dagen

van zuiver pijpen en gouden vlâ.

Elke titaan had zijn eigen walhalla.

De meesten woonden in een grot

gevuld met rook en tonnetjes wijn.

Terwijl hun verzen de wereld bestookten

zaten zij in geleende fauteuils

hun navels te likken en door te zuipen.

Een onleefbare plek is het nu

geurend naar muffe ongewassen muzen

de muren beklad met oude runen

zonder verband: Plato, Wodan, Omar Khayyam

Cheops, Balder, de zonen van Usnach…

Elke titaan moet hier ooit zijn goden

met eigen hand hebben ingekrast.

Tot mijn verbazing zit in het duister, tegen de wand

een groep reuzen gehurkt naast elkaar

driedelig pak, viezige knevel, verwaarloosde baard

stil op een rij. Geen wijn, geen sigaren.

Alles is leeg in de wachtkamer.

Wat is dat?

‘De kosmos.’

Dan toch een hoogst persoonlijke kosmos

twintig verschillende door elkaar.

Ze knikken wat en kijken ernaar.

‘Die is van mij.’

Een schim wijst naar boven.

Ik knik.

Kinderen

het zijn net kinderen.

Starend naar boven

naar de Keltische, Griekse, Germaanse namen

naar het Zelf, de Ik-heid, de Liefde, de Mei

vraag ik me af hoeveel mist in een hoofd past.

Zet alle titanen tezamen

en dat is wat je krijgt:

de Grote Kaleidoscoop van het Ware.

Ze zitten voor me

schuifelend en stom.

Wilt u niet weten waar ik vandaan kom?

Stilte.

Volstrekt wereldvreemd.

Nu en dan wenen ze onder elkaar.

4.

Soms heb ik te doen met mijn titanen.

Zelfs oorlogen gingen aan hen voorbij.

Toen in Haarlem een huis door een bom was geraakt

zwalkten de burgers in pyjama op straat.

Even later verscheen een titaan

in de opening van zijn voormalige deur.

Hij keek eens naar buiten, goedgehumeurd

en groette daarop omstandig de buren:

tachtiger gaat uit wandelen.

‘Kil voor de tijd van het jaar, nietwaar?’

zo deelde hij loensend een lotgenoot mede.

Waarop de titaan zijn wandelstok hief

het puin verliet en meteen een passerend rijtuig besteeg

om verderop kroketten tot zich te nemen.

Op sommigen had het leven geen vat.

Ongenaakbaar voor elk ongemak.

Zij waren het Ik. Het heelal was hun asbak.

5.

Anderen waren minder onkwetsbaar.

Zelfs geen grot was hun vergund

om te bewonen noch om te verlaten.

Zulk een titaan liet zich niet naderen

hem bood geen schaduw nog enig houvast.

Geen beweging, geen zucht in zijn midden.

Dit was de werkelijk schuchtere.

Raar of zelden zich vertonend

voortschrijvend op de tast

in een woonhuis zonder muren of bomen.

Enkel zijn letters groeiden rondom.

Langzaam waren ze opgeklommen

tot een doorzichtige long van inkt

couveuse voor al te innige reuzen.

Af en toe kwam een schoolmeisje langs

loerde bij hem door de woorden naar binnen.

De schuchteren, zij woonden niet

maar ademden in hun gedichten

bliezen hun verzen als Perzisch glas.

Ze zagen geen mensen en groetten hen niet.

Wondgekneusd meden zij alles

elke nabijheid, vooral van henzelf.

O Leopold, mijn zeldzame held

heel zijn leven verpeinzend tot schoonheid.

Na zijn dood

waar o waar gebleven

stonden enkel zijn strofen nog overeind

als het skelet van een ongebruikt lijf.

Volmaakt bolvormig

was hij verdwenen

licht en broos

wit en teder.

De schuchteren vormden de breekbaarste opstand.

Van hen houd ik vandaag nog het meest.

Zij konden barsten als je hen prees.

6.

Een vraag.

Wie wandelt nog rond in uitgebrande grotten?

Wie zoekt de doden nog eens op

in hun exoskelet?

Wie leest ze, wie vreest ze

ja wie gelooft deze verzen nog

behangen met navels en dwepende circonflexen?

Ik ween om bloemen in de knop – en dan?

Een losse regel, lang gedoofd

onbruikbaar als een glazen oog

gevonden aan het strand

en dat terwijl één traan van Kloos

ooit de zon verduisterde.

Netjes door elkaar, gehurkt in de canon

wonen ze nu als verre sterrenbeelden

van Wodan, Plato, Omar Khayyam

vrijwel verzonnen.

Soms laat ik ze los, al mijn titanen

ik ontbind ze stuk voor stuk

om dan verbijsterd toe te zien hoe onze buitenlucht alleen al

ze naar de keel grijpt, hoe een hondsmoderne tijd

over ze heen walst, ze tuimelen doet, als een scalpel

bij ze inbreekt, hoe een heir van halogeen en fel tl

hun ogen krast, afborstelt – net zolang tot heel hun pose

hun goudgeciseleerde muil aan puin ligt, en de grond

vol rozenschemer en lichtgekwetter.

Ik zou ze een geblindeerde taxi naar het centrum kunnen geven

maar zelfs dan zouden zij ons Bal niet overleven.

Misschien moet ik ze heel voorzichtig schudden

nauw zichtbaar wiegen, ze in een wederdienst over het graf

inburgeren, doorboren en kozend toespreken:

‘Aanschouw, o Goden, het Schone en het Ware.

Hier is lichtgetwitter, is gezwaffel, naakbaar en naakt

staan wij voor u. Echter, radicaalintiemer wordt het niet

Aangenaam: dwergtitaan. Geen tachtiger, maar tiener.’

Ik zou ze willen redden, mijn hulpeloze helden.

Ze zitten in het binnenst van mijn ziel tentoon

tronend over niets en niemand

dan de schaduw van hun verzen.

Misschien is het waar

en is daar niet één die eenzaam ging als zij.

Zij waren de eersten om werkelijk opnieuw te beginnen

moesten een taal en de wereld uitvinden

en en passant zichzelf daarbij.

Zwart en teder wachten zij nu, in u, in mij

popelend met al onze dromen.

Omwille van hen zal ook ik binnenblijven.

Alleen lezen, alleen schrijven

is onfeilbaar buitenkomen.

Als mijn ogen vol licht zijn

en mijn neus en mijn mond

en mijn haar en mijn hals, waar

ik mijn Ik in vermoed

dan is dat door hen.

Eens zullen wij sterven, wij allen, wij samen

en wij hadden niets dan hun titanenstem.

Zo groei ik op

met hun kwik in mijn bloed

hun letters gebrand op mijn botten.

Goden gelijk:

zelfs na hun dood nog

grijpen ze mijn handje.

Ramsey Nasr is Dichter des Vaderlands