Politiek als wedstrijd tussen status quo en uitdagers

Elke woensdag bespreekt Rob Wijnberg een filosofisch dilemma naar aanleiding van een actuele gebeurtenis.

Vandaag: wat is populisme eigenlijk?

„We gaan de gevestigde politiek helemaal gek maken!” Gejuich klinkt op uit de zaal wanneer Sietse Fritsma zijn gehoor deze belofte doet. De PVV-lijsttrekker voelde haarfijn aan waarom veel burgers in Den Haag en Almere tijdens de gemeenteraadsverkiezingen op de PVV stemden: uit onvrede met de zittende machten.

Peilingen en interviews brachten steevast hetzelfde beeld naar voren. Ontevredenheid over de politieke status quo deed de kiezer uit protest naar de stembus gaan. „De mensen zijn het zat”, verklaarde een PVV-stemmer op het NOS Journaal zijn keuze, om zich daarna te beklagen over bestuurders die elkaar baantjes toeschuiven en politici die voortdurend loze beloften doen.

Deze afkeer van de gevestigde orde beperkt zich niet slechts tot Almere en Den Haag. In landelijke peilingen is de PVV inmiddels de grootste of tweede partij van Nederland en ook in de rest van West-Europa zijn partijen die zich afzetten tegen de traditionele machthebbers sterk in opkomst.

In Oostenrijk bijvoorbeeld verloren de sociaal-democraten en christen-democraten in 2008 meer dan 14 procent van de stemmen aan de Oostenrijkse Vrijheidspartij en de Lijst Jörg Haider, die samen goed bleken voor een kwart van de zetels. In Zwitserland boekte de Zwitserse Volkspartij in 2007 een grote overwinning met een campagne tegen het nationale en Europese establishment. En ook in Denemarken is de Deense Volkspartij, die zich profileert met scherpe nationalistische standpunten, in tien jaar bijna verdubbeld in omvang – tot 14 procent van de stemmen.

Deze partijen worden in berichten en analyses steevast als populistisch aangeduid, alhoewel zij zichzelf nooit zo noemen. De term ‘populisme’ heeft immers een overwegend negatieve connotatie die in eerste aanleg vooral associaties oproept met het bezigen van goedkope retoriek om ‘het volk’ naar de mond te praten. Maar wat betekent populisme eigenlijk precies?

In zijn kortgeleden verschenen pamflet Waarom is de burger boos? omschrijft historicus Maarten van Rossem het populisme op tamelijk poëtische wijze als „het onkruid dat groeit in de kloof tussen de belofte en de werkelijkheid van de democratie”. Daarmee raakt Van Rossem aan een wezenskenmerk van het populisme, namelijk dat zij zich meestal manifesteert als een diepe teleurstelling in het bestaande politieke bestel.

Een preciezere formulering treffen we echter in het boek Twenty-First Century Populism (2008) van de politicologen Daniele Albertazzi en Duncan McDonnell. Zij definiëren populisme als „een ideologie die een deugdzaam en homogeen volk plaatst tegenover een elite of gevaarlijke ‘ander’, die ervan wordt beticht het soevereine volk zijn rechten, waarden, welzijn, identiteit en stem te willen ontzeggen”.

De belangrijkste aanname daarachter luidt dat de wil van ‘het volk’ eenduidig, kenbaar en goed is en dat deze volledig wordt verwoord door een charismatische leider. Zodoende kan het populisme zich presenteren als een „zuivere vorm van democratie die erop gericht is de volkssoevereiniteit terug te winnen van een professionele politieke klasse op regionaal, nationaal of supranationaal niveau”, aldus Albertazzi en McDonnell.

De populistische ideologie, die gedeeld wordt door alle bovengenoemde partijen, kent vele verschijningsvormen. Niettemin zijn er volgens de Franse politiek filosoof Pierre-André Taguieff (1946) twee hoofdstromingen te onderscheiden.

Aan de ene kant is er het zogenoemde ‘protestaire populisme’, waarin het volk voornamelijk als slachtoffer van een bestuurlijke elite wordt voorgesteld. Dergelijk populisme gaat vaak gepaard met kritiek op formele instituties zoals het parlement en de rechterlijke macht, die te ver van de ‘gewone man’ af zouden staan – en beroept zich graag op vormen van directe democratie, zoals referenda en peilingen (‘het volk heeft gesproken’).

Aan de andere kant staat het ‘identitaire populisme’, waarin het volk meer wordt voorgesteld als een slachtoffer van een vijand van buiten – doorgaans immigranten. Dit soort populisme, prominent in Italië, Frankrijk en Nederland, kenmerkt zich door nationalistische sentimenten en een sterke nadruk op een homogene culturele identiteit met bijbehorende tradities en gewoonten. Een mengvorm van beide stromingen komt tegenwoordig overigens het vaakst voor, constateert Taguieff – zo ook bij de PVV.

Of een partij zich nu richt op vijanden van binnen (bureaucraten, rechters, journalisten) of vijanden van buiten (immigranten, vijandelijke naties, multinationals), kenmerkend voor alle vormen van populisme is de paradoxale verhouding met de democratie, stellen Albertazzi en McDonnell. Want aan de ene kant staat ze vijandig tegenover drie eigenschappen die juist als wezenlijk voor de moderne democratie worden beschouwd, namelijk gelijke individuele rechten, bescherming van culturele minderheden en politieke pluriformiteit. Tegelijkertijd beschouwt het populisme de democratie als hoogste waarde en stelt ze zich ten doel de politiek ‘terug te geven’ aan de rechtmatige eigenaar: de bevolking zelf.

Daarin schuilt echter het grote probleem, want uit wie of wat bestaat die ‘bevolking’ dan precies? Populistische leiders zeggen te spreken namens ‘het volk’ of ‘de zwijgende meerderheid’, maar vertegenwoordigen in werkelijkheid nooit meer dan een (kleine) minderheid van het electoraat. In Nederland lijkt die minderheid ongeveer eenzesde van het totaal aantal kiezers te omvatten: zowel de LPF van Pim Fortuyn, Trots op Nederland van Rita Verdonk als de PVV van Geert Wilders is in verkiezingen of peilingen nooit groter geweest dan ongeveer 25 van de 150 zetels.

Daaruit spreekt dan ook een grote ironie: de populist hekelt de democratische bescherming van culturele minderheden, omdat dit ten koste zou gaan van de soevereiniteit van de meerderheid, maar bezondigt zich aan precies hetzelfde ‘vergrijp’.

Hoewel populisme niet nieuw is – sommige politicologen beschouwen het zelfs als inherent aan democratie – blijft natuurlijk de vraag waarom het juist de afgelopen tien jaar bijna overal in West-Europa zo aan populariteit heeft gewonnen. Albertazzi en McDonell wijzen, naast factoren als massa-immigratie, criminaliteit en economische onzekerheid, drie oorzaken aan: ten eerste, een crisis in de structuur van politieke vertegenwoordiging; ten tweede, een explosief gegroeide invloed van de massamedia op het politieke bestel; en ten derde, een verregaande personalisering van de politiek.

De crisis in de politieke vertegenwoordiging kent vele aspecten, zoals teruglopende ledenaantallen van partijen, lage opkomst bij verkiezingen en een tanende invloed van de politiek in een globaliserende economie. Met name dat laatste vergroot de door Van Rossem benoemde kloof tussen de belofte en de werkelijkheid van de democratie: partijen kunnen wel van alles beloven, maar staan ondertussen relatief machteloos tegenover grote multinationals, de financiële sector en internationale wetgeving. Kort door de bocht gesteld: als Shell of Brussel het niet wil, gebeurt het niet.

Regeringen kunnen eigenlijk niet veel meer dan „permanent brandjes blussen”, zeggen Albertazzi en McDonnell, „zoals het intomen van crises, het terugdringen van staatsschulden of het tegengaan van stijgende werkloosheid”. De daadkracht van de verantwoordelijke partijen oogt daardoor ontoereikend of zelfs nihil, hetgeen teleurstelling bij de kiezer veroorzaakt, die zo in de handen van de populist wordt gedreven.

Zo marginaal als de macht van traditionele partijen is geworden, zo groot is daarentegen de invloed van de massamedia op het politiek bedrijf. De door commerciële belangen gedreven journalistiek speelt het populisme in de kaart door haar focus op dramatische incidenten en persoonlijke intriges (‘Verhagen noemt Bos leugenaar!’; ‘Bos vindt Balkenende slechte premier!’), waardoor voortdurend cynisme ten aanzien van de politiek wordt gewekt.

Bovendien spelen journalisten als het ware de rol van de populist mee, door zich uit naam van ‘het publiek’ per definitie wantrouwend ten opzichte van zittende machthebbers op te stellen. Een journalist die even geen kritische vragen stelt, wordt immers al gauw van partijdigheid of gebrek aan objectiviteit beticht. Ook dat voedt het cynisme. Politieke debatten hebben in de mediacratie eveneens een voor populisten voordelige vorm gekregen: ze worden namelijk gepresenteerd als ‘wedstrijden’ tussen status quo en uitdagers, waarbij het publiek aan het einde de ‘winnaars’ en ‘verliezers’ mag aanwijzen.

De aanjagers van het populisme zijn dus structureler van aard dan alleen de toevallige verschijning van een charismatische leider eens in de zoveel tijd. Het populisme zit eerder verankerd in de aard van de West-Europese mediacratie. Vast staat echter wel dat zijn populariteit op een gegeven moment ook weer moet afkalven, omdat die populariteit op den duur haar zwakte wordt.

Van de populisten wordt immers, eenmaal verkozen, evengoed verwacht dat zij politieke verantwoordelijkheid nemen – en hun beloftes waarmaken. Maar ook zij zijn onderhevig aan diezelfde structurele factoren die dat tegenwoordig juist zo moeilijk maken, zoals de globaliserende economie, Europese wetgeving en wantrouwende media. Dan duurt het dus niet lang meer of de populisten behoren zelf tot de falende gevestigde orde waartegen ze zich altijd hebben verzet.