Kind denkt: lokte ik het uit?

Slachtoffers van seksueel misbruik binnen de kerk melden zich nu volop.

De angst dat iedereen de dader gelooft is voor kinderen reden om het te verzwijgen.

Het slachtoffer was al getrouwd en vader geworden. Op een avond zou hij uitgaan met zijn vrouw, hun zoontje zou logeren bij opa en oma – zijn ouders. Toen ze aankwamen bij zijn ouders, zat B. daar. Een goede vriend van de familie en actief in hun kerk. Paniek. Wat het slachtoffer al die jaren had verzwegen, ging hij nu niet ook zijn zoontje laten overkomen. Hij kon hem niet achterlaten, niet nu hij wist dat B. daar was. Al snel kwam alles eruit: hij was als kind regelmatig door B. verkracht.

Dat, vertelt maatschappelijk werker Marian Grandia, was het begin van de strafzaak tegen pastoraal medewerker A.B. in Doorn. Dit slachtoffer was de eerste die aangifte deed. Eind 1997 werd B. veroordeeld tot 2,5 jaar cel wegens ontucht met minderjarige jongens. Hij was een geliefde recreatiewerker op vakantiekamp het Grote Bos, opgericht door de Hervormde Kerk. „Hij wist veel van kunst en toneel. Was bevriend met tal van ouders van zijn slachtoffers”, vertelt Grandia. Zij begeleidde op vrijwillige basis vier jaar lang twaalf van B.’s ongeveer veertig slachtoffers. Dat duurde van vóór de veroordeling tot een paar jaar erna.

Is het vreemd dat vele tientallen slachtoffers van seksueel misbruik in het katholieke internaat Don Rua in ’s-Heerenberg nu pas met hun verhaal komen? Ze zijn allen boven de vijftig. Grandia begrijpt het wel. „Ze zullen zich gesteund voelen door berichten van slachtoffers in Duitsland die afgelopen maand naar buiten kwamen. Dat was in onze slachtoffergroep ook zo: aangifte doen, naar buiten treden, durft vrijwel niemand alleen. Wij steunden hen zodat ze weerstand konden bieden aan de buitenwereld, ofwel kennissen en kerkgenoten. Die wereld was vijandig. Tot op de dag van vandaag zijn er mensen in de kerk die het de slachtoffers verwijten dat ze aangifte deden tegen B. Het was toch zo’n aardige, charismatische man die zijn werk goed deed? Die mensen kunnen en willen niet geloven dat de beschuldigingen waar zijn.”

Het proces tegen B. veroorzaakte niet alleen tweespalt binnen de Hervormde Kerk. Het leidde ook tot een diepgaand onderzoek naar de vraag welke volwassenen allemaal van het misbruik in Doorn afwisten. Tientallen, zo bleek in 2000. De onderzoekscommissie oordeelde: de kerk moet seksueel misbruik nooit meer toedekken. De synode (het bestuur) van de kerk heeft uiteindelijk publiekelijk haar excuses aangeboden.

Juist die angst dat iedereen de dader zal geloven en niet het kind, is reden voor kinderen om seksueel misbruik te verzwijgen, zegt Jan Hendriks, hoogleraar forensische psychiatrie en psychologie aan de VU. „Daar maken daders misbruik van. Ze zullen altijd alles ontkennen en maken het kind dat duidelijk. Zeker kinderen in een geïsoleerde gemeenschap als een internaat of jeugdinstelling zijn heel kwetsbaar. Ze zijn ver van huis en afhankelijk van de paters, leraren, hulpverleners of gevangenisbewaarders.”

En dan is er het schuldgevoel en de schaamte. Hendriks: „Het kind denkt: heb ik het niet zelf uitgelokt? Ik vond al die aandacht wel prettig, aanvankelijk. Ik stond toe dat hij me op schoot trok, kan ik de volgende stap dan wel weigeren?”

Ook Hendriks verbaast het niet dat mensen pas veertig jaar later naar buiten treden. „Ze zien opeens in de krant dat ze niet de enigen waren en dus niet alleen staan. Dat wat zíj meemaakten niet hun schuld was. Dat het niet normaal was, ook al zei de pater van wel.”

Niet ieder slachtoffer heeft later evenveel last van het misbruik, zegt Hendriks. „Een eenmalige betasting is minder ingrijpend dan stelselmatige betasting. Laat staan verkrachting.”

Misbruik van een kind gaat per definitie om macht, zegt Grandia. „Een kind verwacht bescherming van volwassenen en krijgt die niet.” Ook binnen de kerk ging het om macht. Grandia: „Het imago van het instituut vonden geestelijken lange tijd belangrijker dan individuele gevolgen van misbruik. In alle kerken. Nu pas zeggen kerkelijk leiders, wereldwijd, dat misbruik niet kán. Daarom durven slachtoffers naar buiten te komen. Dat is goed.”

Erover kunnen praten met ouders, partner of een therapeut is essentieel voor slachtoffers, zeggen Hendriks en Grandia. En dat kan beter naarmate het taboe op seksualiteit kleiner is. Hendriks: „Het is ondenkbaar dat in de jaren vijftig deze slachtoffers naar voren zouden zijn gekomen. Het taboe was te groot.”

Maar de onthullingen hebben volgens Grandia ook een keerzijde. „Mensen kunnen verkrampt reageren. Professionals die met kinderen werken, moeten niet collectief gewantrouwd worden. Ze moeten zelf ook niet bang worden dat elke gewone aanraking tot een aanklacht kan leiden.”

Reacties: misbruik@nrc.nl