Keurige families hebben een schelm nodig

Toen Juliana en Bernhard nog maar zeven kleinkinderen hadden, voorzag NRC-columnist J.L. Heldring al een mogelijk probleem. ‘Als we de statistiek als maatstaf nemen’, schreef hij in 1980, ‘is het zeker dat een van de prinsen of met justitie in aanraking zal komen, of een meisje zwanger maakt, of een drugsprobleem krijgt’. Zo hoorde het toch ook?

Maar niks.

Zo ver het oog reikt zien we keurige nakomelingen, allemaal keurig getrouwd met keurige vrouwtjes, en met keurige kinderen die intussen al weer keurige cijfers halen op keurige scholen: de verburgelijking van de monarchie.

Je kunt natuurlijk hopen dat er op een dag alsnog iets onoorbaars uitlekt, zoals misbruikte misdienaartjes ook pas veertig jaar na dato uit de kast plegen te komen. Maar de schuldige roomse viezeriken zitten dan hoogbejaard in een nonnenklooster, en de aardigheid is er grotendeels af. Revanche op doden bevredigt een stuk minder.

Zoet, en bijna eetbaar, was de wraak op de derde dinsdag van september 1976, toen prins Bernhard voor het eerst na een zonde uit geldlust, niet in uniform maar in burger (dus zeg maar gerust naakt) naast de koningin naar de Troonrede heeft moeten luisteren. Zelf heb ik die middag niet willen kijken, want ik vond het een lullige, Hollandse straf, op het niveau van hoe je als kind op school ‘in de hoek’ moest staan, en typisch bedacht door een anti-militarist die al vóór de oorlog het insigne van een gebroken geweertje op z’n borst droeg. Ik voelde trouwens geen spoor van wrok. Stel nou dat de Lockheed beter was geweest dan de F-16 – dan had hij het land voor 1,1 miljoen onnozele dollars toch een kostelijke dienst bewezen?

Zou hij de laatste zijn geweest met wie we – beetje beschaamd dat we nog altijd bewoners zijn van een overjarig koninkrijk – toch nog voor de dag durfden komen? Zo hoorde je als vorst, of prins, of gemaal te zijn: weggelopen uit een schelmenroman. Ik heb nog een poosje illusies gehad over kleinzoon Willem Alexander, met z’n bier, z’n blonde vriendinnetjes en z’n overnachtingen in het Hilton Hotel, maar die zijn me intussen ontnomen door Jan Hoedeman en Remco Meijer.

De grootvader belde me wel eens op toen hij nog leefde – in reactie op iets dat ik in een bijzin over hem had geschreven, en dat volgens hem onjuist was. Dan kreeg ik eerst iemand die zei: ‘Met Paleis Soestdijk, een ogenblikje alstublieft’, en daarna de secretaris, en ten slotte hem. Eén keer kwam het me slecht uit, en vroeg ik aan de secretaris of zijne koninklijke hoogheid het later op de middag nog eens wilde proberen. Dat heeft hij toen niet gedaan.

Ik had de indruk dat hij me wel mocht, maar ik werd natuurlijk beïnvloed door de communis opinio waar het voortdurend gonsde van NSDAP, smeergeld, verzwegen bastaarden, brieven aan Hitler of hij stadhouder van Nederland mocht worden, en laatst nog een coup tegen Soekarno. Ik kende bovendien m’n klassieken. Alle Kretenzers liegen, zei een Kretenzer.

Annejet van der Zijl, wier halve biografie ik net helemaal heb doorgebladerd, gaat ervan uit dat hij ongeveer z’n hele leven heeft gelogen, en z’n laatste jaren heeft gebruikt om al z’n leugens af te dekken – een beetje zoals types als Leni Rieffenstahl en Albert Speer zichzelf achteraf een ander leven aanmaten om als goede Duitsers uit een fout verleden te komen. Maar tegen de tijd dat Bernhard goed fout had kunnen worden, was hij al met onze eigen, keurige Juliana getrouwd!

Hij moet vaak op het nippertje ontsnapt zijn – geboren geluksvogel.

Als ik van de keurige familie was zou ik, anders dan Annejet vermoedt, tevreden zijn dat hij erbij heeft gehoord.