Inkomenseis bij hereniging met huwelijkspartner vervalt

Mensen die een huwelijkspartner uit het buitenland halen, zijn niet langer verplicht ten minste 120 procent van het minimumloon te verdienen. Dat heeft demissionair minister Ernst Hirsch Ballin (Justitie, CDA) gisteren tijdens het vragenuur bekendgemaakt.

Hirsch Ballin reageerde op een uitspraak van het Europese Hof van Justitie in Luxemburg van vorige week. Aanleiding voor die uitspraak is een zaak rond de Marokkaan M. Chakroun die sinds 1970 in Nederland woont en volgens de regels te weinig verdient om voor zijn vrouw, met wie hij sinds 1972 getrouwd is, een verblijfsvergunning aan te vragen.

Het Europese Hof van Justitie bepaalde dat de inkomenseis van 120 procent van het minimuminkomen, die in 2004 is ingevoerd onder toenmalig VVD-minister Rita Verdonk van Vreemdelingenzaken en Integratie, in strijd is met het recht op gezinshereniging. Volgens het hof moet per individu worden bekeken of iemand over „stabiele en regelmatige inkomsten” beschikt. Overeind blijft dat degene die zijn partner uit het buitenland wil laten overkomen, geen beroep mag doen op een bijstandsuitkering. De minister zei de uitspraak te respecteren. „De eis van 120 procent moeten we laten vallen.” Volgens de VVD en de PVV wordt hiermee „een gat geschoten” in het Nederlandse beleid voor huwelijksmigratie.

Nederland volgt ook de uitspraak van het hof dat geen onderscheid gemaakt mag worden tussen getrouwde mensen die naar Nederland komen (gezinshereniging) en mensen die een partner naar ons land halen (gezinsvorming). Hirsch Ballin wil voor beide groepen een minimumleeftijd voor de partner hanteren van 21 jaar. Bij hereniging was dat 18.