Hoe kip Mimi werd gered

Anne Hermans werkt als vrijwillig tropenarts in de jungle van Colombia. Ze doet tweewekelijks verslag van haar ervaringen.

‘Die?” Patachuma, mijn indiaanse verpleegkundige, klakt misprijzend met zijn tong „veren, veren, veren… We moeten vléés hebben.” Hij grijpt een andere kip bij de nek: „Hoeveel, señora?” De indianenvrouw krabt aan haar borst en de onderhandeling start. Diego, mijn Frank- Goversiaanse Colombiaanse medearts, eist dat hij de kip tijdens de terugreis op schoot mag. Intens tevreden ‘koediekoediet’ hij de hele boottocht, tot ik meld dat het beest morgen geslacht zal worden. „No!” krijst hij. „No, Anna! Beloof me dat dit een grapje is. Mijn Mimi mag niet dood!” „Mimi is van mij en zit morgen in de soep”, zeg ik gemeen. Het is mijn laatste weekend en Wachidau (de vrouw van Patachuma) heeft beloofd om de kip morgenochtend te slachten als afscheidsmaal.

Die avond dansen en drinken we als bezetenen. Wachidau stampt om het hardst op haar kleine beentjes en Diego draait onvermoeibaar pirouettes. Om vier uur, als ik eruitzie als een verzopen zweetkikker en Patachuma in slaap gevallen is, zingt Diego: „Hora est!”

Op de terugweg over de steigers, hou ik Wachidau met moeite overeind. Patachuma loopt vooruit, en Diego sloft, melancholisch tangonummers neuriënd, achter ons aan. „Doctora. Je mag niet weg”, Wachidau klampt zich aan me vast. „Je moet zien hoe onze kinderen groot worden. En doctora…” Ze kijkt omhoog. Dikke tranen rollen over haar wangen. „Ik wil met je praten… over Patachuma en de voedingsdeskundige…” Ik weet al wat er gaat komen. Patachuma ligt, door zijn baan (dus inkomen) of karakter (?) erg goed bij de vrouwen, en laat geen kans liggen om een slippertje te maken.

Plotseling maakt Wachidau zich met een vloek van me los, slingert over de gammele steigers voor me uit en stuift een hutje binnen. Zonder na te denken ren ik achter haar aan. „Je bént met haar, ik wist het, ik wist het!” In het donker ontwaar ik wilde armbewegingen. Op de tast probeer ik Wachidau vast te pakken. „No, doctora, laat me los! Le mato, le mato – ik maak hem af!” Ik knip mijn zaklamp aan. De voedingsdeskundige zit trillend op de grond, een laken om zich heen geslagen, de ogen opengesperd als een hert in het licht van koplampen. Overal zit bloed. In een hoek houdt Patachuma zijn handen beschermend tegen zijn hoofd. Dit is rabia (‘woede’ in het Spaans) waar het woord ‘rabies’ (hondsdolheid) vandaan komt, besef ik, terwijl ik Wachidau in bedwang probeer te houden. Met onmenselijke kracht blijft ze maaien en schreeuwen, tot een stel dorpsgenoten haar het hutje uitsleurt.

Ondertussen dirigeer ik Patachuma naar ons huis. Hij heeft een flinke wond in zijn hoofd. Terwijl ik hem hecht bij het licht van de zaklamp, schudt hij zijn hoofd, als een schuldbewuste kwajongen: „Doctora, ik wilde geen ruzie maken, ik wilde geen ruzie maken…” prevelt hij eindeloos voor zich uit. „Je moet beloven er niets over te zeggen, want anders word ik uit het team gezet. En ik ben toch de beste verpleegkundige, doctora?” „Ja, en de voorzitter van stichting de scheve schaats”, mompel ik, en leg hem in bed.

Pas om twaalf uur ’s middags brandt de zon me mijn bed uit. Geschrokken spring ik op. Vissen, kip slachten, feestmaal, er moet van alles gebeuren! Op de veranda zit Pablo, de stuurman, te roken. „Waar zijn…” „Op honeymoon”, lacht Pablo „Ze zijn met de boot uit varen, om het goed te maken.” Hij knikt naar Diego, die tevreden, met zijn ‘Mimi’ op schoot op de steiger zit. „Ach, het kostte bijna een dood mens, maar híj heeft in ieder geval een levende kip.”