Een Titaantje uit Iran

De 14-jarige Shahbal uit Kader Abdolah’s Het huis van de moskee (De Geus, € 15,-) is hard op weg een Iraans Titaantje te worden als in 1969 de Amerikanen op de maan landen. Hij smokkelt een televisie en daarmee de moderniteit bij zijn traditioneel islamitische familie naar binnen. Shahbal praat en denkt veel over God en over de vraag hoe hij de wereld kan verbeteren. Al jong valt hij van zijn geloof. Ook schrijft hij verhalen die hij voorleest aan de jonge fundamentalistische imam Galgal, een latere aanhanger van ayatollah Khomeiny. Van Galgal moet Shahbal meedoen aan het verzet tegen de sjah, zodat hij in de gevangenis terecht kan komen, samen met ‘studenten, kunstenaars, imams, politici, leiders, meesters en ook mensen met nieuwe ideeën’.

Shahbal ontmoet zulke mensen pas als hij op zijn 17de gaat studeren in Teheran. Daar raakt hij verzeild in het linkse studentenverzet tegen het regime van de sjah en vervolgens tegen dat van Khomeiny. Maar veel tijd om met gelijkgestemde leeftijdgenoten te ouwehoeren over god, literatuur en kunst heeft hij niet. Zijn land is in burgeroorlog, zijn dierbaren worden uit naam van Allah gemarteld en geëxecuteerd. Uiteindelijk gaat hij op een geheime missie naar Afghanistan om te wreken wat shi’itische fundamentalisten zijn familie hebben aangedaan.

Nadat hij asiel heeft gevonden in Nederland, leest hij Nescio om erachter te komen hoe het met diens Titaantjes is afgelopen. Die aardige jongens zijn brave burgermannetjes geworden. Maar ja, zij groeiden dan ook op in Amsterdam waar nooit iets gebeurde en dát lag in Iran anders.

Elsbeth Etty