Een kuthekel aan Thomése

Eigenlijk heeft J. Kessels een kuthekel aan aardige jongens. Na een hoerenhandelaar en een dode Turk uit Duitsland te hebben vervoerd, een ontbijt met koffie, bier en schnitzel naar binnen te hebben gewerkt, een oude en jonge snackslet te hebben geweerd en een hond voor een verkeersdrempel te hebben aangezien, wil Kessels maar één ding: in zijn stinkende Toyota Kamikaze terug naar de Koekenbakkersstraat in Tilburg. J. Kessels (uit: J. Kessels: The novel, Contact, € 16,95)heeft gewoon geen zin in gezeik. Sorry, mensen.

Ooit zal hij een hond nemen – ‘katten zijn voor schrijvers en homo’s’ – zodat ze samen op vaste uren kunnen schijten. ‘Ondanks al het gedonderjaag elke keer, kon hij alvast vooruitverlangen naar de tijd dat er in zijn leven nog enkel honden zouden zijn.’ En nog liever heeft hij een vrouw ‘om van te kunnen dromen. Een vrouw die hij niet had en waar hij dus ook geen last van had’.

J. Kessels wordt uiteindelijk, nadat hij de afslag Tilburg Oost heeft genomen, met de zoveelste sigaret in zijn mond een bedaard man, die de pen in eigen hand neemt, een schamel loon ontvangt en geen ergernis geeft – wee wie hem vraagt waarom. Maar wil hij dat ooit bereiken dan zal hij zich eerst moeten ontdoen van die kutschrijver.

Want eigenlijk heeft J. Kessels een kuthekel aan P.F. Thomése. Het spijt hem dat hij hem ooit de nek zal moeten breken, hij is ook maar een personage. Maar zover is het nog niet. Eerst Tilburg.

Toef Jaeger