Een dure vriendendienst

Duizenden die in Hongarije garant staan voor leningen zijn door de kredietcrisis zelf in moeilijkheden gekomen. En niet alleen daar.

Zijn chef, een aardige vent met wie hij het goed kon vinden, vroeg het tijdens een biertje na werktijd in 2005. Of Emil Kàllai, inmiddels 59, misschien voor zijn bankkrediet kon tekenen? Om de lening van 300.000 forint (toen 1.224 euro) te krijgen, bood alleen zijn salarisstrook de bank niet genoeg zekerheid. Geen vreemde vraag, vond Kàllai, die is opgeleid als drukker, maar al vijftien jaar in Boedapest op de tram zit. „Hij had twee jonge kinderen en het geld hard nodig.” Kàllai tekende, net als een collega die bij hen aan tafel zat. En verwachtte er nooit meer iets van te zullen horen.

Een paar maanden later arriveerde een waarschuwing van de bank. De chef had ontslag genomen, was verhuisd en had zijn maandelijkse afbetaling niet gedaan. Er volgde nog een brief en nog een. Kàllai zag zijn voormalige chef nog een keer en drong er bij hem op aan zijn lening af te betalen. „Hij vertelde dat hij in de problemen zat, maar dat hij zou proberen iets te doen. Daarna verdween hij”, vertelt Kàllai, een dikke, goeiige man in een café in de wijk Ujhegy van Boedapest, waar hij en zijn vrouw een flat delen met het gezin van zijn zoon.

Duizenden Hongaren hielpen elkaar op deze manier. Het was heel gebruikelijk vrienden of collega’s te vragen je kezes te zijn, iemand die helpt door garant te staan. Over de risico’s werd weinig nagedacht. „Het is een van die socialistische uitvindingen ”, lacht Kàllai, „je neemt verantwoordelijkheid voor elkaar.” In de kantine van het trambedrijf hadden ze nog overwogen een cirkel te vormen, waarbij iedereen voor een ander garant stond.

De bank legde een jaar lang beslag op eenderde van Kàllais salaris. Inmiddels is de lening afbetaald, maar het salarisverlies noodzaakte Kàllai zelf een krediet te nemen. Nu worstelt hij met de afbetaling.

Om maar te kunnen consumeren, hadden Hongaren zich in hoog tempo in de schulden gestoken. Ze waren ongeduldig geworden door de in hun ogen te trage welvaartsstijging en verleid door dalende rentepercentages en het gemak waarmee door West-Europese banken, Oostenrijkse en Zwitserse voorop, krediet werd gegeven, nadat EU-toetreding (1 januari 2004) vaststond. In de jaren vóór de kredietcrisis was bijna 70 procent van de consumptieve kredieten in Hongarije in buitenlandse valuta. Toen de kredietcrisis uitbrak, vreesden de financiële markten dat Hongarije die niet zou kunnen aflossen. De koers van de forint raakte in een vrije val. Honderdduizenden Hongaren kwamen in de problemen doordat de forint in een paar maanden tijd 40 procent van zijn waarde ten opzichte van de euro verloor. IMF, EU en de Wereldbank schoten eind 2008 het land te hulp met een noodkrediet van 20 miljard euro om een bankroet van het land af te wenden.

Hoewel de koers bijna terug is op het oude niveau, worstelen velen van hen nog steeds met opgelopen betalingsachterstanden. In Hongarije wordt wel bijgehouden hoeveel mensen achterlopen met hun maandelijkse aflossingen (tussen december 2008 en december 2009 steeg hun aantal met bijna 500.000 naar 1,7 miljoen), maar is niet te achterhalen hoeveel persoonlijke faillissementen zijn afgewend doordat vrienden of familie gedwongen voor een ander hebben afgelost. Banken vinden het onplezierig met het onderwerp te worden geassocieerd, blijkt bij verzoeken om interviews.

Het komt in Hongarije, maar niet alleen daar, veelvuldig voor dat mensen in werkelijkheid meer verdienen dan op hun loonstrook staat. Bijvoorbeeld door een tweede baan in de grijze economie, legt Zoltan Szegedi van de Hongaarse vestiging van consultant IFUA Horváth uit. Een garantiestelling is een mogelijke oplossing als iemand een lening vraagt op basis van een deels zwart maandinkomen. „Een bank kan dan zeggen: ik wil best geloven dat je kunt aflossen, maar ik heb zekerheid nodig, dus breng iemand mee.”

De vriendendienst is gemakkelijk de eerste stap richting het einde van een vriendschap. ‘Niet afbetaalde bankleningen doen familieoorlogen ontbranden’ stond boven een artikel in het Bulgaarse dagblad Standart in juni, naar aanleiding van een stijging in het aantal rechtszaken tussen familieleden over geld. In Bosnië-Herzegovina, waar het economische herstel sinds de oorlog (1992-1995) traag is en de werkloosheid nu nog verder oploopt, worstelen volgens een schatting van microkredietorganisaties inmiddels ruim honderdduizend Bosniërs met het terugbetalen van de lening van een ander (zie kader).

Kàllai heeft zijn vroegere chef aangeklaagd, maar dat heeft hem nog niets opgeleverd. „Van een kale kip kun je niet plukken”, zegt hij. De woede is weg. „Ik heb gezien waar hij allemaal doorheen is gegaan. Hij was ooit een vriend en is in een neerwaartse spiraal terechtgekomen. Dat had mij ook kunnen overkomen.”

Kort na zijn chef klopte ook zijn zwager bij hem aan. Hij had geen vaste baan, maar wel plannen om een huis te bouwen waar hij 900.000 forint voor nodig had. Weer tekende Kàllai, door zijn vaste contract de ideale borg. „Ik wilde eigenlijk niet, maar tegen familie zeg je geen ‘nee’, heeft mijn moeder me geleerd.” De zwager scheidde van de zus van zijn vrouw en hield op met betalen. Het huis is niet afgebouwd en voor een veel te laag bedrag geveild. Kàllai is nog aan het afbetalen en zegt inmiddels zichzelf „nog liever door mijn kop te schieten” dan nog eens garant te staan. Een half jaar geleden kon hij met pensioen. Dat vult hij voorlopig aan door gewoon op de tram te blijven rijden.

Een van de redenen dat mensen akkoord gingen met een garantiestelling voor een ander is onwetendheid, zegt Mariann Lénárd van de associatie van benadeelden van bankkredieten (BHKE), een non-profitorganisatie die probeert afbetalingsregelingen te treffen voor mensen met schulden. „Mensen zijn hier slecht financieel onderlegd. Ze weten niet wat hun rechten en plichten zijn.”

Ildiko Sinkovics (45) en haar man vertrouwden haar nicht volkomen toen die vroeg of zij hun woning als onderpand mocht gebruiken voor een lening om het bedrijf van haar en haar man te redden. Het is een klein wit vrijstaand huis, in een dorpse buitenwijk van Boedapest. „,We waren heel hecht met ze. Wederzijds peetouders van elkaars kinderen. In de zomer gingen we naar hun huis aan het Balatonmeer”, probeert Sinkovics uit te leggen. Haar 13-jarige dochter en 19-jarige zoon luisteren mee en zwijgen.

Haar man was in dienst van de keten van kleine benzinestations van haar nicht. Zelf deed ze vanuit huis klussen voor hetzelfde bedrijf. Ze tekenden, zonder te weten waarvoor. „Met een hypotheek voor zes maanden zouden ze uit de problemen zijn.” Zelf hadden ze tot die tijd geen leningen. „Wij waren spaarders. Hadden weinig kennis en ervaring met dit soort dingen. We wilden helpen.” Bovendien: „Het was familie.”

Toen het bedrijf een paar maanden later failliet ging, begonnen de moeilijkheden. Pas tijdens een van de rechtszaken die volgden kwamen de Sinkovics erachter dat de rente op de hypotheek 30 procent is.

De zaak sleept al jaren en nog steeds dreigt er huisuitzetting. Het contact met de nicht en haar man is verbroken. De laatste keer dat ze elkaar zagen, was in het kantoor van een bemiddelaar, maar dat loste niets op. Ze stelden een aandeel in hun nieuwe bedrijf voor, of een nieuwe lening met een langere rente om de eerste mee af te lossen. „Wat denken ze wel. De bank is hen snel vergeten, want daar is niets meer te halen”, zegt Sinkovics verbitterd. Ze rookt nerveus. „Ze bellen niet eens meer om te vragen hoe het met ons gaat.”