CDA en PvdA verlamd door premierstrijd

De fixatie op de strijd om het premierschap heeft een perverterende werking op de Nederlandse democratie. Het Amerikaanse bestel kan ons lessen leren, meent Marcel ten Hooven.

In een democratie luistert de balans tussen macht en tegenmacht nauw. Raakt deze verstoord, dan is zij verstoken van voldoende bescherming tegen partijen die omwille van machtsbehoud desnoods democratisch fatsoen opzijzetten. Ook ontstaat een vruchtbare bodem voor een ontwrichtende leiderscultus.

Dat de kiezers deze weken getuige zijn van beide verschijnselen, vooral in de oude volkspartijen CDA en PvdA, wijst dus op een gebrek aan evenwicht in de Nederlandse democratie. En zowel de Tweede Kamer als de politieke partijen zelf in het huidige bestel zijn onvoldoende in staat tegenmacht te ontplooien.

De bekrachtiging van het lijsttrekkerschap van Jan Peter Balkenende, deze week door het CDA-partijbestuur, is een voorbeeld van het gebrekkig functioneren van de partijdemocratie. Het bestuur accepteert dat Balkenende zich kandideert voor het Kamerlidmaatschap, waarvan hij nu al zegt dat hij dit zal weigeren. Hij gaat alleen voor ‘goud’, zegt hij bij herhaling – doelend op het premierschap.

Juist het CDA zou beter moeten weten, na de opdoffer die de kiezers in 1994 uitdeelden. Een partijcommissie onder leiding van de doorgewinterde politica Til Gardeniers zocht in de reflexmatige oriëntatie op de macht de oorzaak van de electorale ramp die zich toen over het CDA voltrok. Onder het lijsttrekkerschap van Elco Brinkman verloor het CDA destijds twintig zetels. Gardeniers laakte de alles-of-nietsstrijd die het CDA van de race om het premierschap had gemaakt. Bevangen door de angst die positie kwijt te raken, duldde zij van de eigen mensen geen tegenspraak en onderscheidde zij in de buitenwereld nog slechts vrienden of vijanden.

Het CDA lijkt opnieuw in de reflexen te vervallen die Gardeniers laakte. Het probleem is dat CDA-leden, hoe bezorgd zij wellicht ook zijn over dat verschijnsel, alleen ten koste van een leiderschapscrisis een andere wending aan die tendens kunnen geven. Dat is voor hen, begrijpelijk, een te hoge prijs. De fixatie op de macht heeft bij de PvdA vergelijkbare effecten. Zonder enig gevoel van verplichting aan onze belangrijkste bondgenoot, de Amerikanen, en ten koste van de internationale reputatie van Nederland, forceerden de sociaal-democraten een kabinetscrisis over Uruzgan, in de kennelijke hoop vlak voor de raadsverkiezingen de peilingen in een gunstige richting om te kunnen buigen. Zij laadden althans deze verdenking op zich door alleen maar domweg ‘nee’ te zeggen tegen een verlengd verblijf in Uruzgan, zonder een openlijke afweging van doel, middelen en mogelijkheden.

Na de val van het kabinet sloot de PvdA zo snel mogelijk de rijen achter Bos, om het vertrouwde spelletje van de strijd om het premierschap met het CDA te kunnen beginnen. Evenmin als de christen-democraten vertoonde de PvdA behoefte aan beraad over de mislukking van de coalitie en evenmin als het CDA waagde zij zich aan de vraag of na acht jaar niet te veel sleet op de partijleider zit.

Een democratie die oog heeft voor het belang van uitgebalanceerde verhoudingen, is waakzaam voor gewenning aan de macht, een gevaar dat als vanzelf dreigt bij lang zittende premiers en partijleiders. Alleen daarom al kan het geen kwaad lessen te trekken uit de tegenwichten die in de Amerikaanse democratie zijn ingebouwd, met alle kritiek die ook daar op de persoonscultus mogelijk is. In de eerste plaats is dat de grondwettelijke bepaling die het presidentschap tot twee termijnen beperkt. Daaruit spreekt de notie dat de macht een gift is en geen recht. In de tweede plaats is dat het kiessysteem, waarin elke kandidaat in zijn district voor de stem van de kiezers moet strijden. Dat geeft het Congres een stevig eigen kiezersmandaat, op grond waarvan het tegenmacht tegenover de president kan ontplooien.

De inbouw van dit soort tegenwichten in de Nederlandse democratie zou tijdrovende stelselwijzigingen vergen, zoals de invoering van de gekozen minister-president en van een districtenstelsel. Niettemin kent de parlementaire geschiedenis een aantal van zulke breukmomenten. Dat was zo in 1848 met de invoering van de Grondwet van Thorbecke. En dat was zo in 1917 met de komst van het algemeen kiesrecht. De opkomst van anti-systeempartijen als de PVV, de gestage afbrokkeling van het politieke midden en de toenemende labiliteit van de traditionele volkspartijen kunnen verschijnselen van zo’n crisis zijn.

Daarop wees in 2006 de Nationale Conventie al, een gezelschap van staatsrechtgeleerden, historici en politicologen, dat zich boog over de gebreken in onze democratie. Zonder ingrijpen, waarschuwde de conventie, zal achter de oude staatsrechtelijke façade het verval van het parlementaire systeem ongehinderd doorgaan.

Marcel ten Hooven is oud-hoofdredacteur van Christen-Democratische Verkenningen.