Prof én moeder zijn, elders kan het prima

Nederland telt vergeleken met het buitenland erg weinig vrouwelijke hoogleraren.

Hoe dit te veranderen? Met andere sollicitatieprocedures, zeggen wetenschappers zelf.

Voormalig minister van onderwijs en wetenschappen Ronald Plasterk weet wel waarom vrouwen het zo zelden tot hoogleraar schoppen. Zolang ze studeren en promoveren, gaan mannen en vrouwen vrijwel gelijk op. Daarna verdwijnen de vrouwen uit beeld. En wat gebeurt er intussen, vroeg Plasterk retorisch: ze krijgen kinderen. En tja, wetenschapper ben je nu eenmaal niet in deeltijd.

Plasterk gaf de aftrap voor een discussie over ‘mevrouw de professor’, afgelopen zaterdag in Amsterdam. De bijeenkomst was georganiseerd door het Landelijk Netwerk van Vrouwelijke Hoogleraren, samen met het tijdschrift Esta.

Wat verscholen tussen alle vrouwen in de bomvolle zaal zat, hoed op schoot, ook de voorzitter van de Nederlandse organisatie van Wetenschappelijk Onderzoek, Jos Engelen, die ‘zijn oor te luisteren kwam leggen’. Robbert Dijkgraaf, president van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, leidde het levendige debat.

De aanwezigen hadden nogal wat af te dingen op het idee dat de slechte combinatie van moederschap en wetenschap het geringe aantal vrouwelijke toponderzoekers zou verklaren. Neem de EU-cijfers die het relatieve aantal vrouwelijke hoogleraren per land weergeven. Die laten zien dat het vrouwen in andere landen wél steeds vaker lukt om zich in het onderzoek te handhaven. Maar Nederland bungelt met Cyprus, Malta en België onderaan. En dat is al jaren zo.

Een van de problemen, zei Tineke Willemsen, emeritus-hoogleraar arbeids- en organisatiepsychologie aan de Universiteit van Tilburg, is dat de benoemingscommissies voor hoogleraarsposten bestaan uit onderzoekers; goedwillende amateurs die veel van hun vak weten, maar die geen idee hebben hoe je objectiviteit kunt waarborgen tijdens sollicitatieprocedures.

Het onderzoek waarop sociaal wetenschapper Marieke van den Brink vorig jaar in Nijmegen promoveerde, bevestigt dat. In 64 procent van de gevallen verlopen sollicitaties via een gesloten procedure, bleek daaruit. Op uitnodiging dus. Van den Brink: „En dan moet je dus al in iemands netwerk zitten.”

Nog iets: je moet het vertrouwen van de commissie krijgen. Die zoekt, zei Van den Brink, ‘een schaap met vijf poten’. Iemand die goed is in onderzoek, die leiding kan geven, die kan communiceren. En terwijl men bij ‘mannen met drie poten’ erop vertrouwt dat die andere twee poten er wel zullen aangroeien, worden vrouwen met twee ontbrekende poten als ‘niet excellent’ beoordeeld.

Dat krijg je met benoemingscommissies die (meestal) uit louter mannen bestaan, zo bleek uit de woorden van Naomi Ellemers, hoogleraar sociale en organisatiepsychologie in Leiden. Zonder dat ze het van zichzelf weten, waarderen mensen anderen nu eenmaal het meest als die erg op henzelf lijken.

Het gebrek aan vertrouwen in vrouwen pakt ook op een andere manier slecht uit, vervolgde zij, want mensen die tot een groep behoren waarover negatieve verwachtingen bestaan, gaan aan zichzelf twijfelen en worden onzeker. En dan gaat het niet meer, of besluiten ze zelf om het bijltje erbij neer te gooien.

Welke oplossingen zijn er? Het idee ‘quota’ bleek omstreden, omdat het succesvolle vrouwen kan gaan aankleven dat zij de top alleen hebben bereikt doordat ze zijn voorgetrokken. Meer animo was er voor de suggestie om benoemingscommissies te vervrouwelijken: eerder onderzoek liet zien dat bij drie vrouwen in zo’n commissie een omslagpunt wordt bereikt en er meer vrouwen tot de top van organisaties doordringen.

Verder moeten we maar eens ophouden met de non-discussie over ‘deeltijd’, vond PvdA-fractievoorzitter Mariëtte Hamer die de discussie afsloot. We willen toch niet dat vrouwen de Nobelprijs alleen kunnen winnen wanneer hun man fulltime thuis blijft zitten, zei ze, verwijzend naar partijgenoot Plasterk.

Babs van den Bergh, directeur onderzoek- en wetenschapsbeleid bij het ministerie van OCW, had een heel concreet voorstel. De komende jaren gaan 600 hoogleraren met emeritaat, zei zij. Als 20 procent van hen door vrouwen wordt vervangen, stijgt het aantal vrouwelijke hoogleraren in één klap van krap 10 naar 15 procent.

Dat zou nog altijd 3 procent onder het huidige EU-gemiddelde zijn, maar toch een sprong voorwaarts. En waarom niet? Ten slotte waren er afgelopen jaar drie vrouwelijke Nobelprijswinnaars (afgezien van Hertha Müller die de Nobelprijs voor literatuur won): twee medici en een scheikundige, én alle drie moeder.