Monumenten rond Srebrenica

Over het aantal slachtoffers dat rond Srebrenica viel, is nog steeds discussie. Dat merkte Tijs van den Boomen ook, toen hij in die regio oorlogsmonumenten bezocht.

Het begint al te schemeren als ik wegrijd uit Srebrenica. Een middag was genoeg, je voelt je, zeker als Nederlander, niet echt op je gemak in het stadje dat deel uitmaakt van het macabere rijtje waar ook een plaats als Guernica in past. Een rijtje waar de woorden nie wieder bij horen, en verder gepast zwijgen.

Omdat ik heen de kortste weg heb genomen, dwars door de rode bergen, kom ik pas bij vertrek langs het monument voor de vermoorde moslims van Srebrenica. Op het eindeloze veld staan de eenvoudige witmarmeren stèles in slagorde opgesteld. Op een plaquette staan de namen van 8.372 vermisten. Traag wappert de Bosnische vlag in de wind, het souvenirwinkeltje aan de overkant is al gesloten.

Als ik vijftien kilometer verder het gehucht Kravica passeer is het donker, maar in mijn ooghoek zie ik een zwart kruis opdoemen. Het is minstens zeven meter hoog en wordt omringd door een klein amfitheater. Uit de cyrillische inscriptie maak ik op dat het gaat om de 3.267 Servische slachtoffers die hier tussen 1992 en 1995 zijn gevallen.

Het monument laat me niet los en de volgende dag rijd ik terug. Ook in het volle zonlicht maakt het massieve kruis op het kleine grondstuk een bijna dreigende indruk. Op internet vind ik dat het monument vijf jaar geleden is opgericht. In 1993 zouden de soldaten van Naser Oric op de ochtend van het orthodoxe kerstfeest het 353 inwoners tellende dorp bijna helemaal hebben uitgeroeid. Maar Kravica is ook de plaats waar Bosnische Serviërs na de val van Srebrenica rond de duizend moslims in een loods opsloten en vermoordden.

Hoe langer je zoekt, hoe meer getallen je vindt. En vooral: hoe meer ruzie over getallen. Rapporten vliegen over en weer, lijsten met namen en geboorteplaatsen. Tel je alleen burgers of ook soldaten? En hoe zit het dan met burgers die als soldaat zijn opgegeven zodat hun weduwe in aanmerking komt voor een pensioentje? Tellen alleen mensen die er geboren zijn of ook vluchtelingen? Moeten mensen ter plekke vermoord zijn, of tellen herbegravenen ook mee? Et cetera. In Kravica blijken, volgens een officieel Servisch rapport, ‘slechts’ 49 mensen vermoord. De tegenpartij houdt het op 43 en trekt daar de 30 soldaten nog eens vanaf. Neem je de volledige gemeente waar Kravica onder valt, dan komt een van de meest objectieve instituten – het Research and Documentation Center Sarajevo – op 564 Servische doden en wanneer je de complete regio rond Srebrenica bekijkt, dan komen daar nog 480 doden bij. Laten we het afronden op duizend zou je zeggen, als het niet zo macaber was.

De Servische doden krijgen maar moeizaam een plaats in het collectieve geheugen. En daarbij speelt de Servische hang naar het martiale een rol. Dat zit niet alleen in de officiële monumenten, maar ook in de graven. Zo sereen als de witte moslimzerken overkomen, zo bombastisch zijn in westerse ogen de zwarte Servische graven met hun gegraveerde afbeeldingen van de overledenen, soms met volledige bewapening. Boven op de berg bij het Servische kruis, vind ik een kerkje met een kleine begraafplaats. Een van de doden is Bato Zjivojin (1960-1995). Op een ovalen fotootje rechts op de zerk staat hij tussen zijn ouders, een jonge kerel met gladgeschoren kin en een open blik. Een slachtoffer, is mijn eerste associatie. Links staat hij in het spiegelende zwarte marmer gegraveerd: een man in een camouflagepak, met korte zwarte baard, zware ketting om zijn nek en spiegelende zonnebril op zijn neus. Een dader, is mijn tweede associatie. Zo zwart-wit werkt beeldvorming.