Je vader

Annejet van der Zijl vermoedt dat haar biografie van prins Bernhard geen zware slag is voor zijn dochter, koningin Beatrix. „Ze zal denken: ik weet nu hoe het zo gekomen is.”

De biografe neemt aan dat de prins „thuis ook niet alles zal hebben gezegd”.

Dat denk ik ook. Als ik de prins was geweest, zou ik thuis zelfs helemaal niets hebben gezegd. Vijf vrouwen op je nek en jij maar al je buitenechtelijke affaires, gefinancierd met dubieus verkregen gelden, opbiechten? Ook van een held mag je niet te veel verwachten.

Een held? Pardon, dat was hij ook al niet. Hij liep maar een beetje stoer te doen in zijn militaire apenpak, tot ergernis van de geallieerde autoriteiten, die (Eisenhower) hij ook nog ‘wat Mercedessen’ probeerde af te troggelen.

„Echte heldendaden heb ik niet kunnen ontdekken”, zegt Van der Zijl.

Bij zulke uitspraken hoor ik menige verzetsstrijder en militaire veteraan ontdaan uit zijn rolstoel tuimelen. Waren ze dan al die jaren trots geweest op een ijdele, snoevende paljas die iedereen in de maling nam en alleen maar zijn eigen belang diende? Ja, dat waren ze.

Ik geloof niet dat ik dat als dochter allemaal graag zou willen lezen. Het zou me zo langzamerhand wat te veel beginnen te worden, al die grappige tv-series en boeken waarin mijn vader als een handige parvenu zonder enig verantwoordelijkheidsbesef te kijk werd gezet. Jongens, daar hebben we Benno weer, moet je kijken hoe goed Daan Schuurmans hem nadoet! Schavuit van Oranje! Lachen!

Aan zo’n vader zou je met terugwerkende kracht wel eens een grote hekel kunnen krijgen, en dat is nooit leuk voor een kind. De vertedering wijkt terug voor de ontluistering. „Je vader blijft je vader”, maar jeetje, wat hij ma allemaal niet heeft aangedaan is toch wel érg bont geweest.

En dan al die leugens, waarover had hij nou eigenlijk níét gelogen? Zijn ouders waren niet rijk geweest, hij was helemaal geen geboren atleet, hij was maar een postzegelplakkende stagiair bij IG Farben toen hij Juliana leerde kennen, hij was al sinds 1933 NSDAP-lid, hij was geen piloot in het sportvliegtuigje dat in 1934 crashte (hij zat achterin), zijn verwondingen bij het auto-ongeluk in 1937 bij Muiden werden aangedikt et cetera.

Prins Bernhard was briljant in zelfpromotie, hij was zijn eigen publicrelationsofficer en spindoctor – in die zin was hij zijn tijd ver vooruit. Tot aan zijn sterfbed ging hij ermee door, al was hij in de woorden van Van der Zijl toen „een bange man met de waarheid op zijn hielen”.

En dan te bedenken dat de biografe de ergste jaren – die van de steekpenningen – nog moet beschrijven. Alleen in de affaire-Greet Hofmans lijkt ze hem te steunen. „Hij heeft tot 1970 een geweldig goeie rol gespeeld voor de monarchie”, zei ze in Pauw & Witteman. Dat zou betekenen dat ze de visie van Fasseur deelt dat Bernhard de genezende toverkol terecht uit paleis Soestdijk heeft laten verwijderen.

Wat ik als kind van Bernhard het pijnlijkst zou vinden? Die steeds weer terugkerende en zeer aannemelijke suggestie dat hij mijn moeder alleen maar om haar geld en aanzien had getrouwd. Zoals hij in 1938 tijdens een familie-uitje in zijn zwembroek staat te dansen op dat met een hakenkruis getooide plezierjacht… De buit was binnen.