In Jos komen alle spanningen samen

‘Machtswellustelingen’ gebruiken religie en etniciteit als dekmantel om bevolkingsgroepen in Jos tegen elkaar op te zetten.

Er was een tijd, zo memoreerde journalist Charles Kumolu van de Nigeriaanse krant Vanguard gisteren, dat Jos beroemd was om zijn tinmijnen. „Maar vandaag de dag”, schrijft Kumolu, „is de stad berucht als killing field.”

Zondagochtend vond bij Jos opnieuw zo’n geweldsuitbarsting plaats waarmee de stad verontrustend vaak in het nieuws komt. Een paar honderd mensen werden gedood in drie dorpen net buiten Jos. De slachtoffers waren dit keer vooral christenen van de bevolkingsgroep de Berom. De daders, aldus ooggetuigen, waren vooral moslims van de Fulani. De aanval is uitgelegd als een wraakactie voor de dood van ruim driehonderd Fulani en Hausa in januari.

In een versimpelde wereld draait het in Jos om Noord tegen Zuid. Om moslims tegen christenen. Jos is de hoofdstad van de deelstaat Plateau State, op de denkbeeldige grens tussen het islamitische noorden en het overwegend christelijke zuiden van Nigeria. De religieuze scheidslijn speelt een rol, maar er zijn ook politieke, economische, culturele en historische tegenstellingen in het spel.

Wat het extra ingewikkeld maakt is dat Nigeria met 149 miljoen inwoners en meer dan 250 bevolkingsgroepen een van de grootste etnische mozaïeken van Afrika is, en met de inkomsten uit de olieverkoop een van de meest corrupte, scherpst in arm en rijk verdeelde landen. Jos is de plek waar deze tegenstellingen elkaar ontmoeten en versterken. Ooit, schrijft Taiwo Olawale in de Nigeriaanse krant This Day, was Jos „het model van etnisch-religieuze tolerantie in het land”. Nu is Jos „een van de zwakste schakels in de fragiele etnisch-religieuze balans in het land”.

De religieuze en etnische tegenstellingen ontstonden begin vorige eeuw, toen moslims van de Hausa en Fulani sprekende gemeenschappen vanuit het noorden naar Jos trokken, op zoek naar werk in de tinmijnen van de Britse kolonisten, die het islamitische noorden en het toen goeddeels animistische zuiden samenvoegden. De lokale bevolking van Plateau State – Berom, Anaguta en Afisare – leefde vooral van de landbouw en liet zich door de Britten kerstenen.

Sommige boeren voelen zich nu bedreigd door de economische dominantie van de Hausa- en Fulani-handelaren. De toenemende bevolkingsdruk maakt bovendien landbouwgrond steeds schaarser.

De onderlinge verschillen hebben ook politieke dimensies. Moslims in Plateau State gelden als aanhangers van de oppositionele All Nigeria People’s Party. De christenen stemmen meestal op de People’s Democratic Party (PDP).

De PDP is aan de macht sinds de christen Olusegun Obasanjo in 1999 na het decennialange militaire bewind van vooral noordelijke generaals werd gekozen tot president van Nigeria. Mede in reactie op de groei van de PDP introduceerden noordelijke deelstaten de islamitische wetgeving, de shari’a. De scheidslijn tussen Noord en Zuid werd nadrukkelijker getrokken. Met Jos precies op die lijn.

PDP-bestuurders in Plateau State ontzegden in 1999 moslims het ‘autochtonencertificaat’. ‘Autochtonen’ betalen in Nigeria minder schoolgeld en krijgen studiebeurzen. Omdat de moslims in Jos afstammen van migranten uit het noorden, hebben ze volgens christenen minder rechten.

Toen in 2001 een invloedrijk politicus van de Hausa-stam in de lokale regering werd benoemd, reageerden veel christenen boos. Kort daarna negeerde een christelijke vrouw in Jos een wegversperring van moslims die op straat hun vrijdaggebed hielden. Daaropvolgend geweld eiste zeker duizend levens.

De gouverneur van Plateau State is Jonah Jang, een Berom van de PDP. Geknoei met de uitslag van lokale verkiezingen door Jang was in november 2008 de aanleiding voor een nieuwe geweldseruptie. Er vielen zeker zevenhonderd doden.

Lokale politieke posities zijn in het federale Nigeria gewild. Het systeem zit vol met oliegeld. „Machtswellustelingen onder de dekmantel van religie en etniciteit” misbruiken „het leger aan hongerende en gefrustreerde inwoners” om te moorden en verminken, schrijft Taiwo Olawale.

Gouverneur Jang stelde eind 2008 een commissie in die de oorzaken van het geweld moest onderzoeken. Eén conclusie was dat in 1991 generaal Ibrahim Babangida nieuwe bestuurslagen in Jos had gecreëerd om de Hausa en Fulani te bevoordelen. Jangs commissie adviseerde de bevolkingsgroepen een evenwichtiger stem te geven in de plaatselijke politiek.

Niet dat dat advies veel uitmaakte: de commissie werd geboycot door de plaatselijke moslimraad die gouverneur Jang wantrouwt. De federale onderzoekscommissie die werd opgezet door president Umaru Yar’Adua – een noorderling – genoot weer weinig vertrouwen van de christenen.

De ernstig zieke Yar’Adua wordt sinds vorige maand vervangen door Goodluck Jonathan, een christen uit het zuiden van Nigeria. Yar’Adua werd in 2007 president, en volgens een ongeschreven regel wisselt de macht tussen noord en zuid pas na acht jaar. Sommige noorderlingen menen nu dat ‘het zuiden’ te snel de macht krijgt. De PDP, de partij van zowel Yar’Adua als Jonathan, wil een noorderling als kandidaat voor de verkiezingen volgend jaar.