Brede aanpak en geen elitarisme

Waarom zou je een literair tijdschrift lezen? En zijn die niet allemaal hetzelfde?

Deze korte serie poogt een antwoord op die vragen te geven. Vandaag De Gids.

„We hebben minstens zoveel toekomst als we verleden hebben”, stelt Willem Otterspeer zelfverzekerd vast. Otterspeer is een van de vele Gids-redacteuren die het literaire blad rijk is. En die opmerking kan je niet anders dan optimistisch noemen. De Gids werd immers opgericht in 1837 door schrijver E.J. Potgieter en auteur en jurist C.P.E. Robidé van der Aa. Het blad was bedoeld voor ‘elk die belang stelt in de Nederlandsche Letterkunde’ en moeilijk te weerstaan voor wie ‘den roem zijns vaderlands voor meer dan een ijdel woord’ hield.

Vanaf het begin af aan was De Gids breed in haar opzet: de literaire kritiek werd ‘verwetenschappelijkt’, er kwam ruimte voor historische novellen in feuilletonvorm en voor het korte verhaal, toen een relatief nieuw genre. De brede opzet van toen kenmerkt De Gids nog steeds. Op de website verklaart de redactie: „De Gids besteedt aandacht aan literatuur, filosofie, sociologie, beeldende kunst, politiek, wetenschap, geschiedenis; kortom aan alles wat interessant is, mits er goed over geschreven wordt.”

Of het nu de ervaring is of de brede aanpak in onderwerpen – het is duidelijk dat De Gids het redt waar andere tijdschriften worden opgegeven. Redacteur Dirk van Weelden: „Wij redden het door de manier waarop wij ons blad maken. De methode mag ouderwets zijn, maar we zijn ervan overtuigd dat het de toekomst heeft. Je moet de geletterde cultuur uit haar isolement halen, en uitgaan van een geworteldheid in een intellectuele cultuur. Het gaat om de overdracht aan een breder, algemeen publiek. Je moet contact maken met wat er speelt in de wereld. En, ook belangrijk, de lol van gedichten en verhalen is altijd gebleven. Daar is een tijdschrift voor, vinden we, en dat is precies wat we bewerkstelligen in De Gids. Misschien lijkt het iets oubolligs te hebben, maar het is tijdloos.

„Ik ben er trots op dat bijdragen van volkomen kakkineuze natuurwetenschappers die nooit uit hun strikjeswereld komen, staan naast nieuwe dichters die waarschijnlijk nog nooit op een gelegenheid zijn geweest waar professoren de dienst uitmaken. En ook dat ze met hun essay of gedicht naast elkaar willen staan, en dat er mensen zijn die het fijn vinden dat die werelden naast elkaar staan. Als redactie laten we een combinatie zien, zijn we daar ook verantwoordelijk voor. En dat is de uitwerking van het burgerlijke idee van een ‘algemeen cultureel tijdschrift’ die dé intellectuele cultuur van de liberale bovenklasse van Holland wil vatten. Een ‘maatschappelijk gezonde vorm van snobisme’ – die mensen heb je nodig. Het is een ander niveau dan [de literaire glossy] Hollands Diep, waarin beroemde mensen in duizend woorden hun ding doen. Wij proberen mensen te krijgen die echt ergens verstand van hebben, zelfs al zijn ze niet bekend.”

Otterspeer: „Bij een tijdschrift gaat het ook om het verrassingselement, dat is vele malen groter dan in een krant. Meestal weet je wel wat grote namen gaan doen. Bij ons geldt dat niet. Als redactie hebben wij dichters ontdekt en jonge schrijvers die een volkomen eigen stem hadden op hun negentiende.”

Van Weelden: „Natuurlijk zijn er mensen bij van wie je nooit meer iets hoort, of van wie je denkt: ja, er is toch iets misgegaan, jammer. Maar dat maakt niet uit. Wij hebben wel zo’n functie, een van de oudste functies die een tijdschrift heeft. En ook daar geldt voor dat die functie een andere context heeft gekregen. Dichters willen heel graag in De Gids omdat ze niet alleen staan tussen andere dichters van een zeker statuur, maar ook omdat ‘debutant in De Gids’ nog steeds wat zegt. Debuteren op een website: nobody cares. Wil je uitgenodigd worden voor de betere festivals, contact krijgen met de betere uitgevers en redacteuren, dan is debuteren in De Gids wel degelijk een visitekaartje.”

Onderzoeken waarin statistieken en getallen de waarde van een tijdschrift bepalen zijn onzin, vindt Van Weelden. „Het tijdschrift heeft niet meer de functie van vroeger. Uitgeverijen zijn niet meer verzuild, tijdschriften evenmin. Het bestaansrecht van een blad zit hem niet in de oplagecijfers, zoals bij een pot mosterd. Dat de waarde van een blad nu bepaald zou moeten worden door getallen, dat is slechts een achterhoedegevecht, uitgevoerd door de handpop van een rancuneuze leermeester.”

Toch is er bij de redactie natuurlijk ook bezorgdheid over hoe je ervoor moet zorgen dat de toekomst net zoveel glorie zal hebben als het verleden van het blad. Niet voor niets is op de site van De Gids te lezen: „Wij wijten zelf de teruglopende aandacht in de pers en het slinkend aantal abonnees deels aan de uitbreiding van de ambitie van de kranten, die in hun vele bijlagen dezelfde thema’s aan de orde stellen als De Gids, als multidisciplinair tijdschrift, vanouds doet, deels aan het tijdgebrek waar iedere lezer steeds meer mee te kampen heeft, waardoor de langere essays en verhalen zoals De Gids die brengt in de verdrukking komen.”

Van Weelden: „Toen we er als redactie van overtuigd waren dat we iets met internet moesten doen, besloten we met die jongens te praten die xs4all hebben opgericht. Zij hebben een potje voor cultuur, wat andere providers niet hebben. Die vonden dat we met ons digitale archief op een goudmijn zaten! ‘Mensen kunnen hun eigen Gids samenstellen!’ legden ze ons uit. Dat vonden we als redactie wat overdreven, maar het idee dat het mensen niks uitmaakt of het recent is of niet, is geweldig. Als ze een onderwerp, naam of thema intoetsen, krijgen ze daar informatie over. En ze beoordelen dat alsof het gister is gemaakt. Gebrek aan historisch besef werkt enorm in ons voordeel. Een papieren archief wordt tientallen malen per jaar geraadpleegd, een internetarchief duizenden keren per jaar. Hoe kan je daar nou tegen zijn? Je moet als redactie een manier vinden om je daartoe te verhouden.

„En verder: ik weet niet of publishing on demand de toekomst wordt, het kan een tussenvorm zijn. Misschien krijg je straks een e-readerabonnement, het zal me worst zijn, als uiteindelijk de typische Gidsblik op de wereld er maar blijft, in geschreven vorm. De toegevoegde waarde van uitgevers in een niet-papieren wereld is niet evident; als we anderhalve miljonair 20.000 euro laten storten en we zijn op andere plekken te koop, dan kunnen we quitte draaien.”

Otterspeer: „Je weet, we gaan hartstikke commercieel worden. We gaan bijvoorbeeld een De Gids-diner organiseren. En het internet helemaal uitmelken, we hebben geldschieters uit de moderne media. En die komen meestal niet uit culturele kringen, maar die vinden het wel heel leuk om andere wegen te bewandelen. Met dat diner, en met de jaarlijkse De Gids-lezing die al langer bestaat, maken we mensen met geld enthousiast om ons te steunen. In een wetenschappelijke wereld is dat gebruikelijker. Zoiets proberen wij ook. Niet dat we denken dat dit de oplossing is, maar we proberen het gewoon eens.

„Stel dat het lukt en het levert wat op, dan kunnen we op vergelijkbare wijze iets op internet proberen op te zetten. Ik ben niet te beroerd om snob-appeal te hebben maar we zijn geen elitair blad: jonge honden en nieuwe media zijn welkom. We vluchten niet in een ijl elitarisme, dat is niet wat we willen.”

Bekijk de site van De Gids op: www.literairtijdschrift-degids.nl