Bij voorkeur stemmen

Wie een wedstrijd verliest, moet niet achteraf klagen dat het aan de spelregels lag. Die waren bekend. Na de gemeenteraadsverkiezingen van woensdag waren de druiven voor sommige kandidaten zuur. Zij stonden op een verkiesbare plek op een kandidatenlijst, hun partij behaalde daarvoor ook genoeg zetels, maar ze werden gepasseerd door lagergeplaatsten die meer stemmen hadden gekregen en wel de kiesdrempel hadden gehaald.

Dat heeft hier en daar tot gemor geleid, met name bij sommige afdelingen van de PvdA. In Enschede en Helmond bijvoorbeeld moeten autochtone kandidaten plaatsmaken voor partijgenoten van allochtone afkomst. Het is het gevolg van een democratisch verlopen proces. .Het is de verantwoordelijkheid van de lokale afdeling welke leden op de kandidatenlijst een plek krijgen. Wie daarvoor wordt uitverkoren, mag ervan uitgaan dat zijn partij hem een geschikt raadslid vindt, ook al stond hij op een ogenschijnlijk onverkiesbare plaats.

Ogenschijnlijk, want de kiezers hebben geoordeeld en hun voorkeur tot uitdrukking gebracht door niet alleen op een partij te stemmen, maar ook op een persoon die niet de lijsttrekker was. Dat doen zij bij landelijke verkiezingen ook wel. Zo werden in het verleden onder anderen de huidige ministers Huizinga (ChristenUnie) en Eurlings (CDA) dankzij voorkeurstemmen tot parlementariër verkozen. Het is een vorm van directe democratie die toe te juichen valt. Het is een verdienste als een kandidaat zelf gekozen wordt en niet omdat hij bij de lijsttrekker achterin zat.

Over de hoogte van de voorkeursdrempel is discussie mogelijk. Lange tijd, tot 1998, gold als norm dat een kandidaat de helft van de kiesdeler moest hebben gehaald. Daarna werd die verlaagd tot 25 procent en in 2005 diende het toenmalige kabinet-Balkenende een voorstel in om bij landelijke verkiezingen de drempel op een achtste van de kiesdeler te brengen. Toen D66 dat kabinet voortijdig verliet, werd dit voorstel snel ingetrokken.

Interessant is de motivering die de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken, Nicolaï, (VVD) hiervoor gaf: „De band van een Kamerlid met een kleine groep kiezers kan ook te knellend zijn. Cliëntelisme in plaats van de behartiging van het algemene belang ligt op de loer.” Soortgelijke overwegingen golden ook voor PvdA-leider Bos, toen hij bij de raadsverkiezingen van 2006 de vrees voor „ongelukken” met allochtone kandidaten van zijn partij uitsprak.

Hier geldt uiteraard dat partijen zulke risico’s moeten afwegen voordat zij de kandidatenlijst samenstellen. Al lopen ze ook dan de kans op een interne ‘coup’: wie voldoende medestanders optrommelt, kan de macht in een partijafdeling overnemen. Toch verdient een kiesdrempel, waarbij in sommige gemeenten een paar honderd stemmen blijken te volstaan om een kandidaat met voorkeurstemmen te kiezen, nadere beschouwing. De drempel is zo wel erg laag, en daarmee zijn de risico’s waarop Nicolaï en Bos doelden groter.