Pijnlijke romans die geknipt zijn voor toneel

Arnon Grunberg schreef veel toneelstukken, maar bewerkingen van zijn romans doen het op toneel beter.

Aan Tirza werd tekstueel niets veranderd.

In een hokje op een zandvlakte staat Hofmeester met een dienblaadje vol Japanse inktvis-sashimi. Als dienaar van zijn dochter Tirza (‘de bekoorlijke’, luidt de betekenis van haar naam) dreigt hij nu alles te verliezen. Eerst verdween zijn vrouw, toen zijn werk, en nu zijn „hoog hoogbegaafde” dochter.

Afgelopen vrijdag ging Tirza in première bij het Nationale Toneel, een verpletterend verhaal dat Arnon Grunberg (1971) schreef als roman, maar dat is geknipt voor theater. Kees Hulst, een lange, horkerige heer, speelt Hofmeester. In september volgt er ook nog een filmversie van Tirza. Naast zijn succesrijke romans heeft Grunberg ook veel toneel geschreven, maar hij kreeg pas succes in het theater toen anderen zijn romans tot toneelstukken ombouwden.

Eigenlijk wilde Grunberg acteur en toneelschrijver worden. Voor hij in 1993 doorbrak met Blauwe maandagen, had hij al veertien toneelstukken geschreven. Als 17-jarige speelde hij in de eerste jongerenvoorstelling van Toneelgroep Amsterdam, Ifigeneia in Aulis van Euripides. In de speelfilm De Kassière moest hij als figurant schreeuwend van een trap vallen. Verder had hij een rol in de kindervoorstelling De jongen en de vuurvogel van Huis aan de Amstel.

Toen hij – net als Reve – in het vierde jaar van het Vossius Gymnasium af ging, omdat hij twee keer achtereen doubleerde (volgens de school) of wegens onhandelbaar gedrag (volgens hemzelf) meldde hij zich aan voor de toneelscholen van Amsterdam en Maastricht. Hij werd afgewezen, maar hij was een vastberaden jongen, dus huurde hij op eigen kosten het Amsterdamse Polanentheater en speelde daar zijn eigen stukken.

Gingen zijn pogingen in het Polanentheater goeddeels aan de wereld voorbij, met Koningin Frambozenrood (1988) trok hij voor het eerst de aandacht. Met het stuk won hij een toneelschrijfwedstrijd van Toneelgroep Amsterdam, die het ook daadwerkelijk opvoerde. Hij werd meteen geïnterviewd door Hervormd Nederland en NRC Handelsblad. Een fotootje toont de jonge Grunberg voor de schouwburg met kort haar en bril: „Eigenlijk ben ik meer een verhalenverteller. Als kind zat ik altijd vol verhalen. Ik werd de leugenaar genoemd.” In het tv-programma Sjappoo zei hij: „Ik weet zeker dat ik theatermaker wil worden. Er is een noodzaak dat ik elke keer maar weer dat podium op ga. Ik moet dat, ik kan niet anders.”

Maar toneelspeler werd hij niet, en toneelschrijver vooralsnog ook niet. Toneelgroep Amsterdam bleef aanvankelijk wel in de pupil geïnteresseerd. Hij kreeg de opdracht tot het schrijven van een nieuw stuk. Rattewit bracht het in 1992 echter niet verder dan twee lezingen. Na het succes van Blauwe maandagen, kreeg zijn in het slop geraakte toneelcarrière een nieuwe kans. Toneelgroep Amsterdam bracht in 1996 het programma ’t Is geen vioolconcert, met drie eenakters van hem. Ondanks de grootse opzet – de voorstelling werd als de Grote Arnon Grunberg Show geafficheerd – bleef erkenning wederom uit. Net als vele Nederlandse schrijvers leek Grunberg voor het theater verloren.

Dat is ook wel te begrijpen. Voor zover na te gaan aan de hand van de gepubliceerde stukken, schreef Grunberg in die eerste periode statische eenakters van beperkte spanwijdte. Zeer korte zinnen. Vrijwel geen regieaanwijzingen, geen handelingen.

Het zijn allemaal voorstudies van Blauwe maandagen. Sterk op elkaar lijkende mannen zitten op terrassen te drinken en te praten over hun lege, wanhopige levens, over hun kansloze verliefdheid op mooie serveersters, en over hun romantische hang naar de goot. Om het leven draaglijk te maken, trachten ze het zelf te regisseren, als een spel, een toneelspel.

Voor toneel staan deze vroege stukken te veel stil. Grunberg toont zich hier een beter stilist dan dramaturg. Hij zet een prachtige scène op, maar komt er niet verder mee. Hij levert staccato dialoogjes die nooit tot een gesprek uitgroeien.

Toch hebben ze hun charme, zeker als je ze leest. Eigenlijk zou een kundig dramaturg ze eens moeten bewerken tot één geweldig stuk, gecombineerd met het middendeel van Blauwe maandagen. Net als in zijn romans kom je volmaakte oneliners tegen. In korte, droogkomische zinnen ontvouwt hij een ontluisterend wereldbeeld: „Vliegen zijn ook gezelschap.” De taal heeft ook poëzie, is soms aforistisch levensbeschouwend. Zoals in Kom liefje, mijn beste vrienden walgen van me: „Ik denk dat God een serveerstertje is die haar eerste avond moet werken.”

Hierna breekt een tweede fase aan in het toneelwerk van Grunberg. Hij schrijft nauwelijks meer oorspronkelijk toneelwerk, maar dramaturgen en regisseurs grijpen naar zijn romans en maken zelf een bewerking. Dat doen ze zeer vaardig, en met liefde voor Grunbergs werk.

Figuranten (1998) is een tussenvorm. Grunberg zou een bewerking maken van zijn eigen roman, maar al schrijvend schiep hij een nieuw stuk. Uitgangspunt is het deel van het boek waarin de familie Eckstein naar Latijns-Amerika moet vluchten. In een lange afscheidsscène à la Tsjechov pakken ze hun vele koffers en ontmantelen het huis. In de roman is het prachtig, maar op het toneel blijft er weinig van over.

Hierna nemen de dramaturgen het over. In De heilige Antonio, door toneelgroep Aluin, en De geschiedenis van mijn kaalheid door de amateurgroep Toetssteen was voor het eerst te zien hoe ongelooflijk geestig Grunbergs dialogen op het toneel zijn, nog geestiger dan als je ze leest.

Aan de meest geslaagde Grunberg tot nu toe, De asielzoeker van NTGent, zie je waarom de romanbewerkingen beter werken dan het oorspronkelijke toneelwerk. Uit het complete palet dat een roman biedt – dialogen, handelingen, vertelde passages, beschrijvingen en innerlijke monologen – selecteren de bewerkers niet alleen de dialogen, maar kiezen ze voor alle vertelvormen.

Een andere reden waarom de romanbewerkingen beter zijn dan zijn eigen toneelstukken: Grunberg is enorm gegroeid als schrijver. De romans van na 2000 spelen in vreemde landen, behandelen een breed scala aan onderwerpen, en bevatten weerzinwekkend geweld.

Centraal staat nog altijd de eenzame man die als een angstig dier door het leven schuifelt. Die man is alleen ouder en droever geworden. Ondanks het nare geweld zijn de romans zachter van toon.

Ook stopt Grunberg altijd wat actuele maatschappelijke onderwerpen in zijn romans, die hij à la Houellebecq verrassend en met venijnige distantie behandelt. Actualiteit werkt goed in het theater. In Tirza kunnen we kiezen uit: kleine spaarder failliet door ondergang hedgefonds, boekenvak bedreigd door ontlezing en e-books, en terroristenangst na 9/11. Mohammed Atta speelt een belangrijke rol in Hofmeesters angsten.

Ook in de bewonderenswaardige bewerking die Sophie Kassies van Tirza maakte zitten we in het hoofd van de hoofdpersoon. Met zijn geest kunnen we moeiteloos sprongen nemen in tijd en ruimte. Het moderne toneel, met zijn videogebruik en abstracte vormen, maakt het mogelijk om snel te schakelen van de Van Eeghenstraat naar Hofmeesters buitenhuisje naar de Namibische woestijn.

Sophie Kassies begint bij het eindexamenfeest dat Hofmeester voor Tirza heeft georganiseerd. Het script schakelt vervolgens hard over van de raamvertelling naar de flashbacks. Alle woorden en scènes in het script komen van Grunberg. Kassies heeft ze alleen in een helderder structuur gegoten, en flink gesneden in de uitweidingen en zijlijnen. Grunberg is een groot toneelschrijver – met een beetje hulp van de bewerkers.