Middenpartij kan nergens op rekenen

De tijd dat partijen als het CDA en de PvdA automatisch op een forse aanhang konden rekenen, is voorbij. Wat nu? Partijen die opgaan in blokken, of een minderheidskabinet?

Veel langer kan het niet goed gaan.

De politieke partijen kwakkelen al twintig jaar. Ze houden hun lokale afdelingen kunstmatig in leven. Al tien jaar zijn de kiezers balorig, kijken ze met plezier en verwondering naar ontregelaars als Pim Fortuyn en Geert Wilders en stemmen ze in groten getale op hen. Als bestuurskundige Marcel Boogers van de Universiteit Tilburg dat ziet, kan hij zich „nauwelijks voorstellen” dat gevestigde partijen zich nog veel langer kunnen vastklampen aan de bestaande politieke orde.

Ook bij de gemeenteraadsverkiezingen van vorige week zag Boogers het politieke landschap verder fragmenteren. Lokale partijen blijven terrein winnen, ten koste van de landelijke middenpartijen. Het CDA, lange tijd vanzelfsprekend de grootste partij van Nederland, verliest bij de tweede raadsverkiezingen op rij zetels. In sommige grote steden is het bijna een splinterpartij geworden. Zelfs in het zo geliefde zuiden en in landelijke gebieden verliest de partij wéér steun. Ook de PvdA, die andere grote middenpartij, verliest ten opzichte van 2006 volgelingen in haar natuurlijke habitat: de achterstandswijken van grote steden.

Vorige week zag hoogleraar geschiedenis Henk te Velde van de Universiteit Leiden verbaasd dat D66-leider Alexander Pechtold een goede peiling vierde alsof hij net de Kamerverkiezingen had gewonnen. Verwonderd is Te Velde ook over de niet aflatende obsessie van andere partijen voor Geert Wilders. „Zelfs bij het debat na de verkiezingen, waar Wilders weigerde te komen, ging het steeds over de PVV-leider”, zegt Te Velde. Hij wijst erop dat de PVV zeventien raadszetels heeft gehaald en Trots op Nederland, van Rita Verdonk, zestig. Wie praat over haar?

Het zijn symptomen van hetzelfde verschijnsel, volgens Te Velde. „Politici zijn nog steeds erg onzeker of ze eigenlijk wel contact hebben met hun eigen publiek.” Voor de meeste politieke leiders geldt dat ze niet precies weten wat ze moeten doen, maar wel weten dat de kleinste stap de grootste gevolgen kan hebben, zegt Te Velde. „Bijna alles wordt een gok.”

Die onzekerheid is logisch. Politieke tradities binnen gezinnen en maatschappelijke groepen verdwijnen. In door het Centraal Planbureau doorgerekende verkiezingsprogramma’s is niemand meer geïnteresseerd, zegt Boogers. „Mensen willen weten: wat zijn je waarden, wat doe je bij moeilijke keuzes.” Het zijn personen die nu partijen moeten dragen, volgens Te Velde. Aan ideologieën geven kiezers hun vertrouwen niet meer. „Maar het vertrouwen dat kiezers aan personen geven, is veel voorwaardelijker.”

Een partij kan nergens meer op rekenen, zegt ook de Leidse hoogleraar politicologie Rudy Andeweg. Die onvoorspelbare schommeling van de kiezersgunst is niet nieuw. Dat het steeds meer tot een „verbrokkeling van partijen leidt”, is een boeiend verschijnsel, zegt hij.

De paradox is dat die verbrokkeling het de kiezer niet makkelijker maakt. Boogers: „Dat zoveel mensen de Stemwijzer invullen, laat al zien hoeveel problemen de kiezer heeft met het onderscheiden van partijen.” Te Velde: „De hoofdrolspelers moeten zo lelijk tegen elkaar doen omdat ze nauwelijks kunnen uitleggen hoe ze van elkaar verschillen.”

Dat leidt tot een onbestuurbaar land, denkt Boogers. „Als het zo doorgaat, krijg je veel kleine partijen, met de kenmerken van sektes: gesloten, zonder interne discussie. Je moet met iets anders komen.” Hij denkt aan een herverdeling van partijen, waardoor twee of drie grotere blokken ontstaan. Binnen die blokken kunnen diverse stromingen blijven leven. Aan kiezers is veel gemakkelijker uit te leggen hoe de blokken van elkaar verschillen.

Te Velde: „Als we na de verkiezingen alleen nog met vier partijen een meerderheid in de Kamer kunnen krijgen, dan komen systeemveranderingen wel dichterbij.” Het probleem is dat partijen moeten willen meewerken aan een systeemverandering. Dat doen ze alleen als ze allemaal het gevoel hebben dat ze daar beter van worden. Partijen die hun bestaan juist aan de versplintering danken, zullen weinig animo hebben zichzelf op te heffen.

Ook Andeweg ziet dat de „regeringsvorming wordt bemoeilijkt”, vooral doordat de nieuwe partijen „op de flanken” ontstaan. Juist de centrumpartijen, die regeerbaarheid moeten bewerkstelligen, sluiten elkaar en andere partijen uit, zoals nu bij het CDA en de PvdA gebeurt. Het argument van kiezers om vanwege die bestuurbaarheid op een grote partij te stemmen, valt weg, zegt Andeweg, en werkt versplintering verder in de hand.

Een minderheidskabinet ligt volgens Andeweg na de verkiezingen van 9 juni het meest voor de hand. CDA, VVD en PVV zouden samen nét een Kamermeerderheid kunnen halen, maar voor het CDA zijn de kosten van regeren met de PVV erg hoog. Voor de PVV kan een regeringsrol „alleen verlies opleveren”. Stiekem heeft de PVV grote weerzin tegen regeren, denkt Andeweg. Kijk maar naar de onhaalbare eisen voor regeringsdeelname die de partij nu al stelt.

Angst voor een minderheidskabinet is volgens de politicoloog niet nodig. Het Nederlandse stelsel is erop gebouwd – een kabinet hoeft niet telkens expliciet vertrouwen van de Kamer te vragen, maar kan juist regeren zolang dat vertrouwen niet expliciet is opgezegd. Een minderheidskabinet kan in de Kamer „shoppen” naar meerderheden om gewenste maatregelen door te voeren. Dat kan een bevrijding betekenen van de regeerakkoorden waarin meerderheidskabinetten elkaar gevangen houden. Niet langer kunnen regeringspartijen met coalitiediscipline een kunstmatige Kamermeerderheid afdwingen. Alleen voorstellen met een „oprechte meerderheid” hebben een kans, zegt Andeweg. Democratie dus.