Literaire frustratie

Van J.J. Voskuil verscheen vorige week Jeugdherinneringen, een combinatie van twee al eerder verschenen verhalen: Alleen op de wereld en Mijn socialistische jeugd.

Het is een aardig boekje met onbekend fotomateriaal, maar verder durf ik er nauwelijks iets over te zeggen, want ik kreeg onlangs een brandmail van een van Voskuils collega-schrijvers. Ik moest nou eindelijk eens ophouden over die Voskuil.

„In de column van woensdag 18 november zag ik dat je weer eens Voskuil aanhaalde”, schreef hij. „Jammer genoeg weer met een door Voskuil gefantaseerd verhaal. Ik heb Voskuil goed gekend. Het was een lul van een vent. Hij zoog veel uit zijn duim. (…) Het was hem er alleen om te doen om mensen te kleineren of als achterlijken voor te stellen. Uit rancune. Uit zelfhaat, omdat hij een verkeerd beroep had gekozen.”

Het was me al eerder opgevallen dat Voskuil bij sommige collega’s nogal wat dédain opwekte, mogelijk veroorzaakt door het feit dat hij zowel van publiek als critici veel waardering ondervond. Schrijvers zijn soms ook net mensen, met alle al te menselijke emoties die daarbij horen.

Nooit zal ik de schrijver vergeten die mij aan het einde van een lang interview, waarin hij zich ten aanzien van zijn collega’s volledig op de vlakte had gehouden, bij het afscheid in de gang van zijn huis opeens staande hield om in tien minuten tijd off the record met bittere spot de vloer aan te vegen met een aantal van zijn belangrijkste collega’s.

„Waarom zeg je dit nu pas?” vroeg ik verbouwereerd. „Dit moet onder ons blijven”, zei hij, en hij drukte me opeens haastig de hand. In zijn werk kon hij zeer teder uit de hoek komen.

Ook werd ik eens gecomplimenteerd door een schrijver nadat ik een kritisch stukje over een van zijn collega’s had geschreven. „Het is goed dat hij eindelijk op zijn lazer krijgt”, vertrouwde hij me schaterlachend toe. Niet veel later kwam ik tot de ontdekking dat de heren dikke vrienden waren.

De mail over Voskuil ging enkele forse stappen verder. Dit was geen dédain meer, dit was haat.

„Voskuil was een aperte leugenaar en smeerlap”, schreef de man. „Hij beledigde mensen. Met plezier. (…) Hij trapte iedereen de grond in. Ik heb nooit een grotere holle bolle blaaskaak gezien. Zijn haat tegen zijn werk kwam voort uit het feit dat hij er zelf niets van begreep en uit jaloezie t.o.v. zijn collega’s bij het Bureau voor Volkskunde, die er wel verstand van en belangstelling voor hadden. Hij was er gewoon te simpel voor. Wat hij schrijft is nog minder waard dan libelleproza. Veel leesplezier met Voskuil.”

Ik las de mail nog eens goed over. Toen pas viel dat ene tussenzinnetje me op: „Lees mijn boek…” Hij noemde de titel en de uitgever.

Lang geleden hadden wij eens met elkaar gepraat. Hij was toen nog jong en enigszins veelbelovend en overambitieus, dat vooral. Hij had in de jaren daarna veel gepubliceerd, zonder ermee op te vallen. Intussen rees de ster van Voskuil.

Al die jaren had hij zich ingehouden, maar opeens was het hem te veel geworden. Hij móest het werk aan zijn nieuwe roman even stilleggen, omdat hem opeens dat ene woord inviel waarin hij eindelijk al zijn opgekropte frustratie kon samenballen: libelleproza.