Deze foto’s van Dennis Wisse zijn gemaakt voor ‘De kracht van Rotterdam’. In dit fotoproject krijgt een aantal fotografen de opdracht een bepaalde Rotterdamse wijk in beeld te brengen.

Foto Dennis Wisse

Brenninkmeijer: ‘Wat we doen is: op anderen neerkijken.’

Alex Brenninkmeijer

Oud-Ombudsman Alex Brenninkmeijer noemde het politieke klimaat vijf jaar geleden racistisch. Het was „misschien wat scherp”, zegt hij nu. Maar verbeterd is het ook niet. „Het wordt knap lawaaiig.”

Alex Brenninkmeijer. Foto David van Dam

Alex Brenninkmeijer heeft nagedacht, zegt hij aan zijn keukentafel. Hij heeft geprobeerd te vatten wat er nu in politiek Nederland aan de hand is. „Stel je voor, je zit in een restaurant. Mensen praten met elkaar. Het wordt drukker. Het geluidsniveau stijgt steeds een beetje. Er wordt niet alleen harder geschreeuwd, er wordt ook meer en ongegrond belang gehecht aan verschillen.” Wie in het restaurant zit, zal niet snel doorhebben dat er iets verandert. Maar wie naar binnenstapt, merkt: hier is iets aan de hand.

Op de dag af vijf jaar geleden stapte Brenninkmeijer, toen nog Nationale Ombudsman, zelf dat restaurant in. In het tv-programma Buitenhof stelde hij dat het politieke tij in Den Haag racistisch is. „Dan heb ik het niet over één partij, maar over de stemming in Den Haag. Die is tegen buitenlanders.” Het kwam hem op felle kritiek te staan vanuit de politiek, er werd druk over gesproken op het Binnenhof. PvdA-leider Lodewijk Asscher verweet hem publiekelijk migratiekritiek met vreemdelingenhaat te verwarren.

Of hij het nu weer zo zou formuleren? Hij weet het niet zeker. „Het is misschien wat scherp. Het politieke tij is erg individualistisch en elitair, zou ik nu zeggen.”

Wie produceert dat hoge geluidsniveau? De politiek of de samenleving?

„De politiek. Als je in de Tweede Kamer harde taal gebruikt, dan ervaren de politieagent op straat en de docent in de klas dat ook. De kern van de zaak is beschaving. De kern van beschaving is dat je dingen soms laat. We kennen de vrijheid van meningsuiting als een fundamentele waarde van onze samenleving. Wat je nu ziet is: het mag volgens de regels, dus ik zeg wat ik wil, ook als het kwetst. De beschaving verschuift.”

Soms probeert Brenninkmeijer zich voor te stellen hoe het is om iemand te zijn die zijn basisschool niet eens heeft afgerond. Met een arbeidsverleden dat „in de handenberoepen” zit. „Onze samenleving kent wel een soort hiërarchie. Tegenwoordig wordt gesproken van elite. Wat je ziet is dat mensen zichzelf en anderen groeperen. Soms is dat onschuldig, plagerig, zoals de vete tussen Amsterdammers en Rotterdammers in het voetbal. Maar er kunnen ook elementen inzitten van neerdrukken. Op anderen neerkijken. Afgeven. Pesten. Een voorbeeld: wat doe je als je spreekt over zwarte kousen of de bible belt?”

Generaliseren.

„Ja, maar ook wegzetten. Je ziet dat de manier waarop het gebeurt afrekenend is.”

Het kan ook een manier zijn om mensen als groep te benoemen, zonder dat daar een element van wegzetten in zit.

„Maar het is evident dat generalisering vaak te maken heeft met superioriteit in de samenleving.”

Bij wie ligt die superioriteit?

„Om het kort samen te vatten: bij de blanke, succesvolle man. Die heeft een sterke superioriteitsbeleving. Zo’n concept als white privilege kenmerkt dit type gedrag.”

Maar nu generaliseert u ook.

„Ja.”

U bent trouwens ook een witte…

„... precies. Ik ben zo’n witte man. Daarom probeer ik me erin te verdiepen. Wat als ik niet de achtergrond zou hebben die ik heb, hoe zou ik dan in de samenleving staan?”

Foto Dennis Wisse

Nou, wat ziet u dan?

„Twee dingen. De identiteitscultuur die heel snel is opgekomen. Identiteit is sterk verbonden aan superioriteit. Die man zou ervaren dat anderen betere posities weten te verkrijgen. En ten tweede blijkt dat mensen in lagere beroepen er na tientallen jaren economische voorspoed helemaal niet beter van zijn geworden. Dus hij zou denken: zij wel en ik niet.”

En zij, dat is de elite.

„Ik vind dat een moeilijk woord. Laat ik zeggen: zij die erover gaan.”

De politiek probeert op te komen voor die man die u nu beschrijft. Ze noemen hem ‘de gewone Nederlander’. Dat begon in de HJ Schoo-lezing door Sybrand Buma.

„Ach help.”

Hij nam het voor de gewone Nederlander op.

„Als je in het maatschappelijke discours de gewone Nederlander introduceert, dan heb je dus ook ‘de ander’. Het is wij/zij. Daar moet je voorzichtig mee zijn. Je stelt iedereen in de samenleving voor de keuze: onderwerp wie je bent, je geschiedenis en achtergrond aan deze druk.”

Waarom doen politici dat?

„Om overzicht te scheppen. De identiteitsdiscussie is een simpele, goedkope oplossing voor een complexe samenleving. Alles verandert heel snel. In de digitale wereld, het geopolitieke, de economie. We proberen daar grip op te krijgen door te vereenvoudigen. Maar er is nog iets. Politieke identificatie is minder vanzelfsprekend. Dat leidt tot een soort krampachtigheid bij politieke partijen. Traditionele politiek is gericht op zenden, zenden, zenden en verwachten dat mensen dat ontvangen, en zeggen: dank u wel, ik volg u, en ik vind u fantastisch. Dat is niet meer zo. Nu moet er geluisterd worden.”

Politici zullen zeggen dat ze al in gesprek gaan met burgers.

„Ik geloof daar gewoon niet in. Want als politici al jaren luisteren, hoe komt het dan dat de inkomenspositie van lagere inkomens niet vooruit gaat? Dat is toch resultaat van een politiek systeem? Ik ben geneigd te zeggen dat heel wat van die gesprekken in zaaltjes plaatsvinden om zieltjes te winnen, zodat politici vervolgens kunnen doen wat ze zelf willen.”

Een te eenvormige samenleving is een enge samenleving; zij wordt krachtiger als er verschillen zijn, stelt Brenninkmeijer. Hij zoekt een boek van socioloog Kees Schuyt op zijn iPad, Over het recht om wij te zeggen. De eerste zin: ‘Voor gebruik goed schudden.’ „Dat is toch een prachtig beeld! Het is ook mijn overtuiging: als een buurt niet divers is, zie je het andere niet meer.”

Mag ik u vragen naar uw eigen buurt?

„Dit is een fantastische buurt.”

Ik bedoel in samenstelling.

„Die is heel leuk.”

Maar niet divers. De fictieve man waarin u zich probeert te verplaatsen woont wel in zo’n diverse buurt, die hij heeft zien veranderen. Die kan zich thuis voelen in het ideaal van een gewone Nederlander.

„De boodschap in de samenleving is niet: divers is leuk. Daar kunnen mensen natuurlijk óók in meegaan. Als ik zeg dat het wel meevalt, word ik weggezet als een idioot met oogkleppen op, dan ben ik een wegkijker. Natuurlijk zijn er dingen die pijn doen. Maar dat hoort ook bij samenleven.

„Het is bekend dat de aanhang van rechts-populistische partijen in gebieden woont waar geen vreemdeling te bekennen valt. Als ik me verplaats in die man – ik zit met pijn in mijn rug op de bank, zonder een cent te makken, en er komt iemand die de schuld afwentelt op een vijand – ja, dan ben je snel om.”

Foto Dennis Wisse

Gaan politieke partijen te makkelijk met die gedachte mee?

„Ja. Het is een interessante studie om te kijken: waar ging het nou mis.”

Wanneer volgens u?

„Angela Merkel heeft gezegd dat de multiculturele samenleving is mislukt. En Paul Scheffer die tettert dat ook. Het is iets wat we onszelf aanpraten. Mensen kunnen best met verschillen omgaan. Maar als je leeft in een samenleving waarin identiteit steeds belangrijker wordt, dan vindt er een normbepaling plaats. En daarin ligt ook een uitsluiting verborgen. Geloven is in onze samenleving bijvoorbeeld niet meer normaal. Welk geloof dan ook. Dus het atheïstische is een bovenstroom. Een redelijk intolerante.”

Maar de joods-christelijk cultuur is onderwerp van gesprek. Daar moeten we aan vasthouden, vinden veel partijen.

„Een subliem middel van in- en uitsluiting. Je kunt niet zeggen: Nederland heeft één cultuur en die moet je onderschrijven. Het zou kunnen dat ik nu in de problemen kom, omdat ik zeg dat de joods-christelijke cultuur niet bestaat. Ik denk aan koningin Máxima, die zei dat dé Nederlandse identiteit niet bestaat. Daarna ontstond een geweldige boosheid. Het effect was dat mevrouw haar mond moest houden. Ik zou die stelling nu nog steeds aandurven. Dé Nederlandse identiteit bestaat niet. Punt. En alle discussies over de Nederlandse identiteit zijn superioriteitsdiscussies. Op het moment dat de politiek aanjager wordt van zo’n discussie, ontstaat een moeilijk beheersbare heftigheid.”

En dan?

„Wordt het knap lawaaiig in het restaurant. Alleen schreeuwen wordt nog gehoord.”

De Hoge Colleges van Staat en andere adviesorganen zijn de buitenstaanders die het restaurant inlopen en merken dat er iets misgaat. Maar als ze klagen worden ze vaak niet gehoord.

„Dat heb ik ook ervaren als Ombudsman. Wat is nou een sterke staat? Mijn antwoord is: een staat die reageert op klachten van burgers. Er moeten terugkoppelingsmechanismen aanwezig zijn, die serieus worden genomen. De regering doet dat niet. Dat is gevaarlijk. Kijk naar landen als Rusland, Turkije.”

Het lijkt me frustrerend om dit te signaleren, de overheid te adviseren en dan weggejaagd te worden.

„Nou, ik ben niet zo makkelijk weg te jagen hoor. Maar ik dacht na acht jaar Ombudsman te zijn geweest dat het verstandig was om iets anders te gaan doen.”

Brenninkmeijer maakte zijn tweede termijn als Ombudsman niet af. Lang voor die afliep, bood het kabinet hem een baan aan bij de Europese Rekenkamer.

U gaf ongewenste adviezen. En ineens krijgt u een baan in Luxemburg. Je zou denken dat ze u weg wilden hebben.

„Nou die slechte verstandhouding, dat was gedeeltelijk gewoon geconstrueerd. Het beeld ontstond onder andere doordat een Kamerlid van de VVD, Pieter Litjens, in 2012 ongelooflijk fel naar mij uithaalde. Hij verweet mij dat ik te vaak politieke uitspraken deed. En nu ben ik even heel open: ik belde Ivo Opstelten, omdat hij binnen de VVD een soort nestorrol vervulde. De uitkomst van dat gesprek was dat ik een kop thee moest drinken met Litjens. Dat heb ik gedaan, in het restaurant van de Tweede Kamer.” Hij lacht. „Een tafel bij de deur, zodat alle Kamerleden ons konden zien. Litjens gaf toen toe: ik had een veel milder verhaal geschreven. Maar de fractieleiding heeft mij gezegd dat ik dit lelijke verhaal moest vertellen. En wie was de fractieleiding: dat waren ministers die tijdelijk Kamerleden waren. Kennelijk vonden zij dat ik moest horen dat wat ik deed niet kon.”

Litjens laat NRC weten dat het anders ging. Hij zegt uit eigen initiatief thee te hebben gedronken met Brenninkmeijer. Opstelten zou daar niet aan te pas zijn gekomen. Volgens hem heeft alleen een woordvoerder geholpen bij het aanscherpen van de tekst.

Het wijst er toch op dat ze er blij mee waren dat ze de lastpak 400 kilometer verderop konden plaatsen.

„Ik kan me voorstellen dat mensen in Den Haag heel blij waren dat ik wegging. Niks mis mee, mag ook. Maar het is niet zo dat ik me weggestuurd voel. Absoluut niet.”

Als wij over vijf jaar weer afspreken, op wat voor periode kijken we dan terug?

„Het zou jammer zijn als dit een periode is die dood tij vormt, dat het niets heeft opgeleverd.”

    • Lamyae Aharouay