De kunst in het land van populisten

Ik las dat Haagse podiagezelschappen toenadering gaan zoeken tot de acht kersverse leden die voor de PVV in de gemeenteraad zijn gekozen. Volgende week worden ze uitgenodigd voor een cultureel debat en dan krijgen ze meteen een boek mee dat Muziek in de stad heet, en waarin wordt uitgelegd dat cultuur niet alleen een positief effect heeft op het leefklimaat, maar ook op de economie.

Tja. Terwijl die Sietse Fritsma (‘alle kunstsubsidies halveren’) er niet eens in slaagde de grootste partij te worden! Het is toch bijna net zoiets als wanneer kunstenaars op 19 mei 1940 als eersten bij Seyss Inquart hadden aangeklopt, of ze niet samen een Kultuurkamer konden oprichten? Maar je kunt natuurlijk ook terugdenken aan Gerard Reve die op televisie altijd met nadruk de prijs van zijn nieuwe meesterwerk (‘overal in de erkende boekhandel’) noemde, en er bij zei: ‘Ik heb tenslotte een winkel’.

Zou de nieuwe fractievoorzitter zich er van laten overtuigen dat kunst en cultuur behalve een linkse hobby ook een stimulans kunnen zijn voor leefklimaat en economie?

Het vervelende voor kunst en kunstenaars is dat ze eigenlijk nooit onweerlegbare argumenten hebben gevonden om geldelijke ondersteuning door de overheid te rechtvaardigen. ‘U wordt van ons werk beter en blijer en bevoorrechter’, was na de oorlog ongeveer de aanbeveling – en in de troonredes van die dagen moest de koningin dat ook uitspreken. ‘Op cultureel gebied’, zei ze bijvoorbeeld in 1950, ‘zal het beleid gedragen worden door de overtuiging dat kunsten en wetenschappen van hoge waarde zijn voor ons volk’.

Rond de jaren zeventig begon de ‘maatschappelijke relevantie’ een rol te spelen. Een ballet dat er toe kon bijdragen de samenleving fundamenteel om te turnen, kreeg eerder subsidie dan Het Zwanenmeer of Doornroosje. En toen dat niet meteen tot zichtbare resultaten leidde, ontwikkelde de toenmalige minister van Cultuur, Elco Brinkman, omstreeks 1980 de glijmiddelstrategie, waarbij het Concertgebouworkest, een Rembrandt-tentoonstelling of het Nederlands Danstheater een handje moesten meehelpen om weerbarstige Chinese of Japanse marktpartijen murw te maken voor een miljardendeal.

Maar met die drie voorbeelden hebben we het ook wel zo’n beetje gehad. Je ziet ze in iets gewijzigde gedaante bij gebrek aan nieuwe vondsten na een aantal jaren ook telkens terugkeren. In Amsterdam had je een wethouder die de politiek wilde laten meebeslissen of een artistiek voorstel geld van de gemeenschap verdiende: het oude criterium van de maatschappelijke relevantie. En Den Haag wil Sietse Fritsma wijsmaken dat bij een dubbele aanpak (het geluk uit 1950 plus het glijmiddel van Elco Brinkman) zowel het leefklimaat als de economie gedijen.

Deze gedachten leidden mij af toen ik, in het kader van mijn eigen cultuurdeelname, zaterdagavond naar de eerste aflevering van De Troon keek, de serie over de drie negentiende-eeuwse koningen die andermaal zou bewijzen hoe het Nederlands televisiedrama met reuzesprongen vooruit gaat.

Mijn hemel. Halverwege pakte ik nog even De filmmakers en de Witte Paters uit de kast, waarin W.F. Hermans aantoonde dat in Nederlandse films steeds weer personages voorkomen (naar een recent voorbeeld noemde hij ze Witte Paters) die eigenlijk helemaal niets aan verhaal of spanning toevoegden. Hij schreef dat opstelletje in 1963 – dus je zou zeggen: daar moeten de regisseur en de scenarioschrijver toch mee zijn opgegroeid? Maar het wemelt van Witte Paters rond hun Troon.

Als ze in Den Haag nou even wachten tot PvdA-winnares Jeltje van Nieuwenhoven met het voorstel komt om alle gediplomeerde Haagse musici, acteurs, dansers, schilders en schrijvers levenslang een modaal salaris toe te kennen, zodat de stad nooit meer alibi’s hoeft te zoeken voor het nut van kunst, maar eenvoudig 40 miljoen euro steekt in het voortbestaan van kunstenaars – dan hoeven ze toch ook niet bij Fritsma te slijmen?