Zooi, maar wel antieke zooi

In de rubriek Het Binnenhuis de ‘anti-galerie’ van kunstverkoperJan J. van Waning.

Hij zegt het met een grijns, op elke etage weer: „Wat een teringzootje, hè?” Rotterdamse humor van Jan J. van Waning, verkoper van kunst en antiek.

Van Waning (59) geeft een rondleiding door zijn galerie en woonhuis in het centrum van de stad. Vier etages overladen met allerhande kunstvoorwerpen. De muren zijn behangen met schilderijen en rococospiegels, aan de plafonds bungelen kristallen kroonluchters. Tafels staan vol met beelden en snuisterijen. En overal volle vitrines, stapels boeken en rijen met ingelijste prenten en tekeningen. Van Waning: „Soms is een klant op zoek naar een bepaald voorwerp. Ja, dat heb ik voor je, zeg ik, maar waar? Dan vraag ik of ze een week later nog eens langs willen komen.”

Galerie Van Waning is gevestigd in een monumentaal pand met een trapgevel, ontworpen door Jacobus van Gils, de architect die aan het begin van de twintigste eeuw in Rotterdam wel meer chique woonhuizen tekende en die ook verantwoordelijk is voor het bekende Maastrichtse Grand Hotel de l’Empereur. Het pand is al lang in de familie: Wanings vader had het sinds de Tweede Wereldoorlog in gebruik als kantoor voor zijn zandzuigerij. Tot 1976 – toen zei de zoon tegen zijn vader: „Jij eruit, ik erin.”

Jan van Waning heeft uitgesproken opvattingen over de manier waarop kunst het beste aan de man kan worden gebracht. Zeker niet in een steriele, wit geschilderde ruimte. Dat is snobistisch, vindt hij. „Je moet kunst normaal maken. En kunstenaars niet ophemelen.”

Om die reden laat Waning zaak en privé bijna volledig door elkaar lopen. Zijn galerie ademt een huiskamersfeer. De radio staat aan, er is een barretje, en in een hoek staat een vleugel met daarop een vogelkooi, waarin een tamme blauwe parkiet woont die een half jaar geleden opeens kwam aanvliegen. Alleen de bescheiden prijskaartjes maken duidelijk dat de gastheer zijn kunstverzameling ook te koop aanbiedt. Van Waning: „Dit is een anti-galerie.”

Ook op de eerste en tweede etage lopen zaak en privé door elkaar. Een achterkamertje is als kantoor in gebruik, maar de overige vertrekken zijn tegelijk toonzaal en woonruimte. In een met Frans antiek ingerichte salon gaf Van Waning een week eerder nog een groot diner.

Alleen de zolderetage is echt privé. Daar heeft Van Waning een slaapvertrek, een badkamer, een open keuken en een kleine salon. Het is met afstand de drukst gemeubileerde afdeling van het huis. Zelfs de badkamer is een uitstalkast voor kunst en antiek. Van Waning: „Soms wordt me gevraagd: ‘Hoe kun je tussen al die spullen leven?’ Maar al die kunst is me lief. En als je er de hele dag tussen zit, dan zie je het niet meer. Ja, als je kunst goed tot haar recht wilt laten komen, dan kun je beter wat selectiever te werk gaan dan ik doe.”

Veel van zijn bezittingen komen uit Frankrijk, waar Van Waning een tweede huis heeft („Nog veel voller dan dit”). Daar struint hij graag brocantes en vlooienmarkten af. In de loop der jaren bouwde hij zo zijn enorme verzameling voorwerpen op. Zijn grootste passie: de Russische tsaren. Vooral Nicolaas II, de laatste keizer van het Russische Rijk, is in huize Van Waning alomtegenwoordig. Overal tref je beeldjes, schilderijen, penningen en gietijzeren haardbokken met het bebaarde hoofd van de tsaar.

Ja, hij heeft veel koninklijke voorwerpen verzameld, zegt Van Waning als hij wordt gewezen op een goudkleurige kroon die achteloos aan zijn douchecabine hangt. Maar zoek er niet te veel achter, waarschuwt hij: „Ik ben een overtuigd republikein.”