Winnaar van nu kan op 9 juni weleens verliezer zijn

De verliezers van de verkiezingen, Balkenende en Bos, hoeven niet meteen af te treden. De PVV, het CDA en de PvdA gaan onderling strijden om de grootste partij te worden. Dat gaat ten koste van de kleine.

Historicus. Hij geeft leiding aan het Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen van de Rijksuniversiteit in Groningen.

De afgetreden leider van de SP, Agnes Kant, is het eerste slachtoffer van de afgelopen raadsverkiezingen maar andere zijn niet te verwachten. Het is wel zo dat het partijleiderschap van premier Balkenende in twijfel kan worden getrokken. Dat is niet alleen wegens zijn moeizame staat van dienst als premier met drie unvollendete kabinetten maar ook wegens het electorale verlies van woensdag. Hij vertoonde afgelopen maanden duidelijke tekenen van onthechting. Hij was kandidaat voor het voorzitterschap van de Europese Raad in 2009 in Brussel en hij kondigde onlangs aan om na de Kamerverkiezingen alleen als premier te willen terugkeren.

Toch is het, ondanks het gemor in de christen-democratische achterban, niet goed denkbaar dat Balkenende tegen zijn zin door de partij tot een terugtreden zou worden gedrongen, omdat zo’n actie uitermate schadelijk zou zijn voor het imago van het CDA als een solide en betrouwbare partij. Het is paradoxaal dat de grootste verliezer van de raadsverkiezingen, PvdA-leider Bos, evenmin hoeft in te zitten over zijn positie. Het onder zijn verantwoordelijkheid genomen besluit om te breken met het kabinet had immers een heilzame uitwerking op de aangekondigde dramatische electorale teruggang van zijn partij. Bos’ kansen om straks de interne lijsttrekkersverkiezingen te winnen zijn bijzonder groot, als zich al tenminste serieuze tegenkandidaten aandienen: zowel in de PvdA als in het CDA is het niet duidelijk wie een vijandelijke overname zou moeten uitvoeren.

De uitslag van de gemeenteraadsverkiezingen van afgelopen woensdag is ook niet eenduidig. Zowel rechts radicaal als gematigd links hebben gewonnen. Met de tegen het partijestablishment gerichte PVV en het tot de politiek-bestuurlijke elite behorende D66 en GroenLinks lijkt er net als bij de Europese verkiezingen van 2009 sprake te zijn zeer verschillende winnaars.

De ogenschijnlijk tegenstrijdige uitkomsten laten zich echter goed verklaren. In de eerste plaats hebben de triomferende partijen alle drie geprofiteerd van het gangbare electorale mechanisme dat regeringspartijen bij tussentijdse verkiezingen vaak verliezen aan oppositiepartijen. Bij de raadsverkiezingen van 2006 plukten de PvdA en de SP de vruchten van hun scherpe oppositie tegen het centrum-rechtse kabinet-Balkenende II. Afgelopen woensdag wonnen PVV, D66 en GroenLinks (en tot op zekere hoogte de VVD) mede omdat zij de laatste jaren het beleid van Balkenende IV fel hebben bestreden. Hun kritiek dat de regering niet regeerde en de zaken op hun beloop liet, leek alleen maar te worden bevestigd door de roemloze ondergang van het kabinet als gevolg van interne tegenstellingen. Terwijl in 2006 de regeringspartijen CDA, VVD en D66 electoraal voor de bijl gingen, is het nu de beurt aan de PvdA en – opnieuw – het CDA. Van de voormalige coalitiepartners hield alleen de ChristenUnie zich staande. Dat de sociaal-democraten na veel tegenslag enigszins opveerden, kwam hoogstwaarschijnlijk doordat zij zich op het laatste nippertje hadden losgemaakt van het weinig populaire kabinet.

De uitslag van woensdag werd daarnaast beïnvloed door de tegenstelling die de komst van de PVV in de Nederlandse politiek heeft teweeggebracht. Van het populistische, nationalistische en tegen de islam gerichte optreden van Wilders hebben zo te zien vooral de beide sociaal-liberale, kosmopolitische en onversneden multiculturele partijen D66 en GroenLinks geprofiteerd. Hun duidelijke stellingname tegen Wilders is door de kiezers beloond net als hun pro-Europese opstelling bij de Europese verkiezingen van 2009.

De VVD kan met deze polarisatie nauwelijks haar voordeel doen. Zij moet zich juist zorgen maken over de vraag of zij bij de komende Kamerverkiezingen, wanneer de PVV in het hele land deelneemt, er niet het slachtoffer van wordt. De uitslag in Den Haag, waar de liberalen werden overvleugeld door de PVV, doet het ergste vrezen. Het beperken van de schade in Almere doet daar weinig aan af.

De PVV aan de ene kant en D66 en GroenLinks aan de andere kant konden dubbel oppositie voeren – zowel tegen het kabinet als tegen elkaar – en dat heeft deze partijen geen windeieren gelegd. Wilders’ opmerking onlangs in een debat dat zonder hem D66 ‘gebakken lucht’ zou zijn is overdreven, maar bevat wel een kern van waarheid.

Opvallend bij dit alles is dat de SP, niet alleen de grootste oppositiepartij maar ook fervent anti-Wilders, van beide mechanismen niet heeft weten te profiteren. Van de stemming tegen de gevestigde politiek – of het nu de Haagse is of de gemeentelijke – profiteerde de SP dit keer evenmin. Dit in tegenstelling tot Wilders en de lokale partijen. En dan lijkt de SP ook nog met haar jarenlange kritiek op het neoliberalisme in de huidige financieel-economische crisis het gelijk aan haar zijde te hebben.

De oorzaak van dit falen schuilt mogelijk in de strategische ambivalentie van de SP, die enerzijds om electorale redenen nog altijd haar imago van protestpartij onderhoudt, maar anderzijds meer deel is gaan uitmaken van het (lokale) politieke establishment en regeringsverantwoordelijkheid nastreeft. De scherpe, populistische wijze waarop SP-prominenten als Marijnissen, Kant en Van Raak ook in de afgelopen jaren hun collega-politici op de korrel hebben genomen, zal de gewenste regeringsdeelname niet dichterbij brengen.

Al onder Marijnissen begon de uittocht van kiezers die teleurgesteld waren dat de SP niet tot het kabinet toetrad; na zijn terugtreden als partijleider in juni 2008 zette deze exodus zich onder de weinig charismatische Kant voort. In het debat binnen en buiten de Tweede Kamer was naast haar gedrevenheid en idealisme ook de keerzijde daarvan, haar verbetenheid en gebrek aan relativeringsvermogen, veelvuldig zichtbaar. Het vertrek van Kant als partijleider lost het probleem voor de SP maar ten dele op, zolang de partij niet duidelijk kiest voor het protest of het bestuur. Bovendien staat de SP voor de zware taak om haar opvolger Emile Roemer binnen enkele maanden bij het grote publiek bekendheid te verschaffen.

De raadsverkiezingen zijn ‘tweederangs’. Hierin staat voor de kiezers in de regel minder op het spel dan bij de Tweede Kamerverkiezingen op 9 juni; dan gaat het om de machtsvraag. Gezien de uitslag van de raadsverkiezingen en de huidige opiniepeilingen is de kans groot dat de komende landelijke verkiezingen net als in 2003 zullen uitdraaien op een nek-aan-nekrace tussen het CDA en de PvdA. Daarbij is het te verwachten dat de PVV zich mengt in de strijd welke partij het grootst wordt en ook de premier zal leveren. Wanneer zij tot aan de verkiezingen gelijk op blijven gaan, zal hun scherpe profilering de campagne domineren. Dit zal een geheel andere dynamiek in de verkiezingsstrijd brengen dan bij de raadsverkiezingen, die ten koste kan gaan van de positie van de overige partijen. Dat geldt niet alleen voor de triomferende partijen D66 en GroenLinks, maar ook de voor SP, de VVD en de ChristenUnie.

De winnaars van nu kunnen de verliezers van straks zijn. Femke Halsema (GroenLinks) zag in het slotdebat woensdag de bui al hangen: het moest volgens haar bij de Kamerverkiezingen over samenwerking gaan, en niet over de vraag of Bos of Balkenende premier zou worden.