Waarom dompelmannetje Balkenende toch steeds weer bovenkomt

Balkenende maakt geen groot enthousiasme los. Toch is hij weer lijsttrekker van het CDA. Het laat zien hoe de Nederlandse politiek de laatste decennia een spel van gevestigden en buitenstaanders is geworden.

Hoogleraar vaderlandse geschiedenis in Leiden. Deze week verscheen van hem ‘Van regentenmentaliteit tot populisme. Politieke tradities in Nederland’ (Bert Bakker)

Na de val van het zoveelste kabinet-Balkenende was de onmiddellijke reactie van het CDA de premier voor te dragen als kandidaat-lijsttrekker. Dat is begrijpelijk – wie zou je ook anders moeten nemen – maar erg bevredigend is het niet. De keuze is ook niet vanzelfsprekend. In de jaren zestig werden premiers na gedane zaken zo weer aan de kant gezet: De Quay in 1963, die trouwens zelf ook niets liever deed dan vertrekken, en De Jong in 1971, die het heel redelijk had gedaan, zelf ook best door wilde gaan, maar door zijn Katholieke Volkspartij werd ingeruild voor een ander als lijsttrekker. Zoiets zou nu niet meer kunnen, maar waarom niet? Het is te simpel om te zeggen dat politiek tegenwoordig om personen draait in plaats van partijen. De huidige premier spreekt aan bij zijn achterban, maar groot enthousiasme maakt hij ook weer niet los, en de kritiek op hem is niet in de laatste plaats dat hij vaak zo’n vlakke publieke presentatie heeft en geen leider van zijn kabinetten is. De ambivalenties rond Balkenende wijzen dan ook op iets heel anders. Ze laten zien hoezeer de eisen die gesteld worden aan het ambt van premier veranderd zijn en tegelijk hoezeer de Nederlandse politiek de laatste decennia is veranderd in een spel van gevestigden en buitenstaanders.

De ene kant van dit verhaal is overbekend: sinds 2001 hebben groepen die zich als buitenstaander manifesteren een groot succes. Fortuyn, Verdonk, Wilders. Het is wel een komen en gaan, maar de constante is de bereidheid van kiezers om zich (tijdelijk) te verbinden met politici die zich naast hun inhoudelijke agenda profileren door zich af te zetten tegen de gevestigde orde. Hun (tijdelijke) succes is mede gebaseerd op de grote woorden die ze gebruiken: puinhoop, recht door zee, tsunami, en een stijl die tot voor kort voor ‘onparlementair’ zou zijn doorgegaan, maar die nu in de Tweede Kamer gebruikelijk wordt. De bijbehorende retorica keert zich tegen ‘Den Haag’, waar de rest van de politieke wereld klef zou samenleven onder de kaasstolp. Het loont om je heftig als buitenstaander te presenteren, dus er is wel erg veel overdrijving, maar Fortuyn keerde zich niet voor niets vooral tegen Kok, de verpersoonlijking voor hem van de gevestigde politiek. Hij schiep zelf een nieuwe vorm van politiek, maar reageerde ook op een verandering die al gaande was. Na het verdwijnen van verzuiling en politieke polarisatie was de gevestigde politiek al vanaf de jaren tachtig aan het veranderen.

Tijdens de verzuiling en nog deels in de jaren zeventig was de partij voor het publiek vaak belangrijker dan de fractie, de premier was als het erop aankwam soms ondergeschikt aan de fractieleider (zoals Schmelzer in zijn Nacht in 1966 Cals duidelijk maakte) en de gevestigde posities in de formele politiek waren tamelijk onzichtbaar. De premier was een primus inter pares, die veel meer naast de andere ministers stond dan tegenwoordig, het hele centrum van de macht was letterlijk verspreid over Den Haag. De premier zat nog helemaal niet in het Torentje – dat gebeurde pas vanaf Lubbers – en zelfs niet op het Binnenhof. De tradities van de gevestigde politiek waren er niet minder stevig om. Regentenmentaliteit noemde de politicoloog Hans Daalder dat in de jaren zestig, als aanduiding van de vanzelfsprekendheid van het bestuur die als het ware van generatie op generatie werd doorgegeven. Er waren dus zeker wel tradities van bestuur, maar die waren impliciet, bestemd voor de insiders, en weinig naar buiten gericht. Zelfs de monarchie deed zo onopvallend mogelijk. En over de Grondwet sprak al helemaal niemand.

En nu de huidige situatie. Het is misschien begonnen bij de monarchie. Onder Beatrix wordt er weer veel meer gehecht aan zichtbare en formele traditie. In combinatie met een overtuigde verdediging van de bestaande rechtsstaat heeft dat de monarchie op een nieuwe manier tot exponent van de gevestigde orde gemaakt, waar buitenstaanders van rechts zich tegen afzetten. Tegelijk is er de verandering van het premierschap vanaf Lubbers (Den Uyl deed veel voorwerk, maar wilde vooral partijman blijven). Externe omstandigheden als de rol van de media, de betekenis van regeringsleiders in internationaal overleg en de toenemende behoefte aan coördinatie van regeringsbeleid hebben de stoot gegeven, maar het effect is dat het premierschap voor het eerst sinds Colijn helemaal het centrum van de politiek werd. Ook letterlijk: de premier zetelt aan het Binnenhof, en hét plaatje van de gevestigde politiek is de in allerlei variaties opduikende foto van het Binnenhof met de Hofvijver, het Torentje goed in zicht. Lubbers belichaamde die positie door zijn technisch vermogen, Kok door de gezaghebbende en vaderlijke uitstraling die Nederlanders vaak zo graag bij hun bestuurders zien, Balkenende was meer het dompelmannetje dat weer bovenkwam en bleef doorgaan, maar wel na telkens kopje-onder te gaan. Meer dan de personen veranderde het ambt, in de praktijk trouwens meer dan in het staatsrecht. Wie nu premier is, heeft een vrijwel onaantastbare positie. Hij wordt vanzelfsprekend lijsttrekker voor de verkiezingen, zelfs als hij, zoals Balkenende deed, meteen aankondigt helemaal niet van plan te zijn in de Kamer zitting te nemen. Alleen hijzelf beslist nog over zijn vertrek – en dus is de verleiding groot om te lang te blijven.

Er begint zich in Nederland nu pas een heel zichtbare traditie rond het premierschap te ontwikkelen. Ondertussen gebeurt nu ook alles in de vertegenwoordigende democratie aan het Binnenhof. Niet alleen Algemene Zaken zit er met de premier, maar ook de beide Kamers en de Raad van State, het is de plek bij uitstek van de gevestigde politiek. Dat is het deels wel altijd geweest, maar het is nu veel meer zichtbaar; in beelden, als symbool, en toch ook in de praktijk. Meer dan ooit is het de plek waar politici elkaar kunnen tegenkomen.

Ook de rol van de Tweede Kamer is veranderd. Die was tijdens de verzuiling en in de polarisatie daarna ook al een van de belangrijkste plaatsen waar politiek werd bedreven, maar is nu de voornaamste ontmoetingsplek tussen gevestigden en zelfverklaarde buitenstaanders (dat laatste is trouwens relatief: weinig Kamerleden hebben meer Haagse ervaring dan Geert Wilders). Daarmee heeft de Kamer verder ingeboet betreffende haar controlerende rol – de ervaring en kennis daarvoor ontbreken steeds meer – maar aan betekenis gewonnen als arena en podium. Ook hier, net als bij het premierschap en andere zaken, is de traditie veranderd van vooral een interne zaak, als de timmerman die zijn ambachtstraditie doorgeeft aan zijn leerling, naar een extraverte, publieksgerichte rol. Van introverte naar extraverte traditie, zo zou je de ontwikkeling kunnen omschrijven.

Het is een ontwikkeling die je overal in de politiek ziet, ook op minder voor de hand liggende plaatsen zoals in de omgang met de Grondwet. Ook daar weer de zelfverklaarde buitenstaanders die de bel aanbonden, vooral Fortuyn met zijn aanval op het antidiscriminatiebeginsel in artikel 1, maar ook daar was er al een voorgeschiedenis van de gevestigde politiek die van de Grondwet meer dan een document voor juristen wilde maken. Ook rond de Grondwet zijn er voorstellen om van een introverte een publieksgerichte traditie te maken, door de tekst te herformuleren, er een preambule aan toe te voegen of er meer symboliek aan te verbinden. Dat dat niet van een leien dakje gaat, is duidelijk, maar de aandrang tot verandering rond de Grondwet bevestigt een veel bredere ontwikkeling.

Er is een sluipende metamorfose gaande in de Nederlandse politiek: ze is ingrijpend maar wordt niet in al haar omvang herkend en is ook niet het gevolg van één geplande actie. Er waren altijd al sterke tradities in de politiek, maar die waren introvert, nu zijn ze veel meer naar buiten gekeerd, in wisselwerking met stromingen die zich als woordvoerders van de buitenstaanders manifesteren. Enkele decennia geleden ging de koningin op de fiets, was de minister-president werkelijk een, soms onopvallende, primus inter pares, was de Tweede Kamer als forum ondergeschikt aan de partijen en was de Grondwet een document waar zelden iemand over praatte. In het Torentje zat een ambtenaar. Dat is allemaal veranderd en meer dan wie ook zal de premier van het volgende kabinet daar rekening mee moeten houden. Niet dat hij of zij meteen een macho moet zijn, maar het moet iemand zijn die in staat is de goede kanten van de oudere ingetogen manieren van politiek bedrijven te verbinden met de eisen die de huidige situatie stelt.