U en ik zijn gelijk, dus neem ik voorrang

Gelijkheid kan normen wegnemen die onwenselijke sociale verschillen in stand houden. Maar het kan ook, zoals nu gebeurt, een normloosheid veroorzaken die alle verschillen opheft, ook de verschillen die nodig zijn voor de sociale omgang.

Een essay naar aanleiding van het Boekenweekthema: Opgroeien in de Letteren.

Schrijver en filosoof (1972). Onlangs verscheen ‘Zo begint iedere ziener. Een filosofische ontdekking van de wereld’ (Prometheus, 2010). Lezingen tijdens de Boekenweek en de Maand van de Filosofie: zie www.coensimon.nl

Van de in 2006 overleden Groningse filosofieprofessor Lolle Nauta is bekend dat hij weigerde bij promoties zijn toga te dragen. Nauta, schrijver van het beginselprogramma van de PvdA in 1977, was allergisch voor ongelijkheid. De proeve van bekwaamheid, zo moet hij hebben gedacht, die een promovendus met het schrijven van het proefschrift al heeft afgelegd, staat haaks op het hiërarchische vertoon van de professorenpoppenkast. De promotie zou een ideeënuitwisseling tussen gelijke geesten moeten zijn.

In academische kringen heeft zijn activisme weinig navolging gehad, maar daarbuiten is er gelijkheid gekomen, al is het vast niet de gelijkheid die de hoogleraar filosofie voor ogen moet hebben gehad. Het verschil tussen prof en promovendus is nog altijd zichtbaar in toga en rokkostuum, maar de hiërarchische verschillen tussen ouder en kind, docent en leerling, tussen jong en oud, gezagsdrager en burger worden steeds minder zichtbaar.

Dat was ook een van de belangrijkste conclusies uit De grenzeloze generatie – en de eeuwige jeugd van hun opvoeders, het jubileumrapport van het commerciële onderzoeksbureau Motivaction, waarover bij verschijning in november al veel is gezegd. De opvoeders van vandaag willen jong blijven, en in plaats van dat de jeugd zijn volwassen voorgangers nabootst, passen de volwassenen zich steeds meer aan de jongere generaties aan. ‘De jeugd van tegenwoordig’ bestaat niet meer, of iedereen valt eronder.

Zo vroeg mijn schoonmoeder laatst hoe ze een mailtje moest schrijven. Ze wilde geen technische uitleg over het versturen van e-mail – die had ik al eens gegeven – ze doelde op de etiquette van het mailen. Ze reageerde opgelucht toen ik zei: „In godsnaam, gewoon zoals een brief.” Ze dacht dat de berichten zonder aanhef, navolgbare stijl en grammatica, en altijd met gekscherende groetjes onderdeel van dit nieuwe medium waren. „Nee, oudje”, grapte ik, „dat is de nieuwe normloosheid, doe maar gewoon wat je vroeger geleerd is.”

Het is inderdaad heel paradoxaal dat de nieuwe generaties steeds beroerder met taal omgaan, terwijl ze veel meer dan de oudere generaties opgroeien in een geletterde wereld. Want we hebben het wel altijd over ontlezing, maar twitteren, bloggen, hyven, mailen, sms’en en onlinegaming, ‘t is allemaal met letters. Onlangs werd ik door twee gymnasiasten per mail uitgenodigd voor een interview ter voorbereiding op een profielwerkstuk voor hun eindexamen. Vanwege hun povere taalgebruik had ik me er niet veel van voorgesteld, maar het mondelinge gesprek bleek buitengewoon boeiend. „Waarom leren ze die kinderen geen mails schrijven net als wij leerden brieven schrijven?”, vroeg ik aan een collega-filosoof uit mijn generatie. Hij betichtte mij van wat hij omschreef als ‘ouwelullendom’: door mijn bril met oude normen en waarden zou ik blind zijn voor de mores van de nieuwe tijd. Dat hij me niet liet uitpraten toen ik probeerde uit te leggen dat dit een drogreden was, hoorde vast bij die mores.

Als gedrag en moraal aan elkaar gelijk worden gesteld, zoals deze relativist deed, dan hebben we niets meer in handen om fout gedrag af te wijzen. Hun doen het altijd goed, zeg maar. Het slordige mailen en sms-en door de oudere generaties wordt vanuit dit relativisme alleen gezien als een verjonging van omgangsvormen, terwijl het een verlies van omgangsvormen is.

Dat is het verschil tussen de gelijkheid waar Nauta van droomde en de gerealiseerde gelijkheid in de hedendaagse publieke ruimte; in plaats van het wegnemen van de normen die onwenselijke sociale verschillen in stand houden, veroorzaakt het relativisme van onze tijd een normloosheid die alle verschillen opheft, ook de verschillen die nodig zijn voor de sociale omgang.

De neiging van de oudere generatie om haar macht te behouden door zich aan te passen aan de nieuwe generatie, is zeker zo oud als het sprookje van Sneeuwwitje. Maar terwijl de moraal van dit verhaal vertelt dat het verschil tussen de generaties juist nodig is voor de erkenning van de eigen verschijningsvorm van de nieuwe generatie, is er in onze geïnformaliseerde samenleving nog maar weinig om voor te strijden. De Sneeuwwitjes van nu mogen hun stiefmoeders gewoon twitteren en tutoyeren (‘Tutoy...wat?’ Sorry, 2twajeren). En al treft de jeugd uit het hedendaagse gespleten gezin daadwerkelijk steeds vaker een stiefmoeder, ze staan gezellig samen voor het spiegeltje aan de wand hun ogen te eyelinen en nieuwe spijkerbroeken te passen.

Informalisering hoeft niet tot normloosheid te leiden. Nauta bijvoorbeeld, die iedere student smeekte om hem te tutoyeren, bleef altijd – ook zonder toga – een eerbiedwaardige professor, bij wie je het niet in je hoofd haalde om zijn politieke mening eigentijds te weerspreken met: „Wat lul je nou idealistisch man.” De informalisering zou geen probleem zijn als sociale verschillen een zichtbare en normerende functie houden. Maar het enige sociale verschil dat we in de publieke ruimte nog aantreffen is de onenigheid, voor de rest is iedereen en alles gelijk.

Deze letterlijke onverschilligheid heeft een verwoestende werking op de publieke ruimte, waar inmiddels de ongeschreven regel geldt: als we niet botsen, heb ik voorrang. Van ouden van dagen op glimmende Gazelles tot jonge moeders met blitse Bugaboos, er is geen generatie die deze regel niet tot in de finesses beheerst.

De informalisering in de samenleving zorgt voor een erkenningsprobleem. Wie geen verschil kan maken, heeft niets in handen om trots op te zijn. Nu echter die informalisering samenkomt met een andere trend in de samenleving, de informatisering, krijgt het erkenningsfailliet een nog venijniger werking op het publieke leven.

Hoewel hoogleraar pedagogiek Micha de Winter in De grenzeloze generatie internet „het nieuwe gat in de opvoeding” noemt, „omdat ouders niet weten wat hun kinderen aan het doen zijn of omdat ze zich onmachtig voelen om er wat aan te doen”, lijkt hij niet te vermoeden dat dit „nieuwe gat” niet alleen de opvoeders aangaat, maar iedereen in de publieke ruimte.

Ik geloof dat de koningin hier in haar kersttoespraak voorzichtig voor waarschuwde met haar „wij kunnen nu spreken zonder tevoorschijn te komen”. Maar ook zij kreeg alleen ouwelullendomrepliek. Een Leidse D66’er suggereerde op de opiniepagina van deze krant dat de koningin terug wilde naar „de bekrompen naargeestigheid van de jaren vijftig”. Feitelijk raakt de koningin met haar opmerking aan een belangrijk gegeven in de filosofie van de in 2002 overleden Duitse wijsgeer Hans-Georg Gadamer, die beweert dat een mens voor een zinvol leven de erkenning van de ander nodig heeft. Niet alleen van een instemmende ander, maar vooral van de ander met wie je verschilt.

Maar dit verschil is verdwenen. In de ‘bovengrondse’ publieke ruimte bestaat het verschil alleen nog in de vorm van conflict, en in de ‘ondergrondse’ digitale wereld is alleen maar instemming. Voor elke overtuiging bestaat wel een blog, een Hyves, of een site. Er bestaan drukbezochte digitale netwerken voor darwinisten, voor dierenactivisten, voor reikibeoefenaars, voor atheïsten, voor republikeinen, voor schaatsliefhebbers. De erkenning echter die deze ‘vrienden’ onder de oppervlakte van elkaar krijgen, is er een van gelijkgestemden met een eigen taal en eigen mores. Het debat is ver weg, maar van instemming loopt het over.

De behoefte die de mens heeft aan erkenning als persoon en niet als nummer, lijkt in deze ondergrondse vriendenclubs gegarandeerd, maar het is een schijnerkenning. In het televisieprogramma Rondom 10 vertelde een hangjongere die zich aansloot bij een populaire anti-politie-Hyves („we hebben sgijt aan die klotepolitie, alles word verpest door hun”), dat hij één keer op de site is geweest, „alleen om me aan te melden”. Een vriendenclub van niets dus, maar wel fijn te weten dat jouw haat jegens de politie niet particulier is, maar dat die gedeeld wordt door nog 2.938 aanmeldingen. Dat de hyver bovengronds in de publieke ruimte geen instemming krijgt voor zijn opvattingen, kan hem gerust koud laten. Erkenning vindt hij op internet.