Taal kent geen wetten

Wetenschapsbijlage, 27-02-10

Het artikel van Berthold van Maris geeft een kijkje in de keuken van de taalwetenschap. Hij schetst twee typen taalwetenschappers: de vlinderverzamelaars en de systeembouwers. Van Maris’ artikel beschrijft de drijfveren van twee van deze vlinderverzamelaars, Evans en Levinson. Hun doel is om “de belangrijkste veronderstelde universalia onderuit te halen”. Evans “kwam voortdurend dingen tegen die niet pasten binnen de gangbare (Chomskiaanse) ideeën hoe talen in elkaar zitten”. Het is duidelijk dat Evans en Levinson het generatief-taalkundige kader gebruiken om richting aan hun onderzoekingen te geven. Een bewijs van de waarde van de generatieve onderzoekstraditie: ten eerste moet er inspanning geleverd worden om het onderuit te halen en ten tweede betreft de generatieve grammatica een model dat zich ertoe leent om onderuitgehaald te worden. Dat laatste is de zogenaamde falsificeerbaarheid van theorieën. In dit opzicht is er niets mis met het werk van Evans en Levinson.Het probleem ontstaat bij het ontwerpen van een alternatief. Het mag duidelijk zijn dat Levinsons alternatief “alles kan” geen beperkend model oplevert. Het heeft niet veel zin om uitsluitend variatie te onderzoeken, zonder beperkingen op die variatie in kaart te brengen. Het probleem heeft een parallel in de discussie over evolutietheorie en creationisme. In de pers wordt vaak ingezoomd op de vraag wie gelijk heeft, of op de vraag hoe het nu zit. Maar dat is het punt niet in het wetenschappelijk bedrijf. In de wetenschap gaat het uiteindelijk niet om de feiten zelf, maar om de modellen die de feiten begrijpelijk maken. Als de feiten niet compleet zijn, moet er aanvullende fact finding plaatsvinden. Maar ook hier speelt de theorie een belangrijke rol. De incompleetheid van de beschikbare feiten komt met name boven in het perspectief van een model.Tenslotte de modellen zelf. Wetenschappelijke modellen moeten aan zekere eisen voldoen: ze moeten feiten kunnen relateren aan andere feiten, nieuwe feiten verbinden met bekende dingen, een vorig model in een onverwacht, breder perspectief plaatsen, en ten slotte moeten de modellen dusdanige beperkingen hebben dat het model gefalsificeerd kan worden. Het probleem bij het werk van Evans en Levinson – net als bij het creationisme – is dat hun werk geen beeld oplevert dat zelfs maar de vorm van een wetenschappelijke theorie heeft.Dat wil niet zeggen dat vlinderverzamelaars nutteloos werk doen. De wetenschap heeft baat bij mensen die de grenzen van de theorie opzoeken. Deze mensen gebruiken niet zozeer een eigen model bij hun wetenschap maar de falsificeerbaarheid van het model waartegen hun werk zich afzet. Van een journalist hadden wij verwacht dit bredere wetenschappelijke perspectief te kennen – zoals dat onder andere naar voren komt in de gepubliceerde commentaren op het artikel van Evans en Levinson – en voor het publiek duidelijk te maken. In dat opzicht geeft dit artikel een eenzijdig beeld van de taalwetenschap en is het een gemiste kans.

Gertjan Postma Meertens Inst. KNAW

Hans Bennis Meertens Inst. KNAW / UvA

Lisa Cheng Universiteit Leiden

Norbert Corver Universiteit Utrecht

Martin Everaert Universiteit Utrecht

Jan-Wouter Zwart RU Groningen