New York haalt schouders op bij kunst uit mensenas

Grafstenen en een homo- erotisch kaartspel. Op de Armory Show, de belangrijkste kunstbeurs van New York, wordt heftig werk getoond. Maar een schandaal is niet mogelijk.

In de stand van de Braziliaanse galerie Mendes, een van de ruim tweehonderdvijftig deelnemers aan de Armory Show in New York, staan twee flinke grafzerken tegen de muur. In reliëf heeft de New Yorkse kunstenaar Fernando Mastrangelo symbolen als rozen, knoken en schedels afgebeeld. Maar echt uit steen gehouwen zijn de werken niet – daarvoor is het oppervlak te poederig. „Ze zijn gemaakt van menselijke as, afkomstig van omgekomen Latijns-Amerikaanse bendeleden”, licht de galeriehouder toe. Hoe de kunstenaar aan zijn materiaal komt? De galeriehouder grinnikt. „Dat laat hij gewoon via Fed-Ex opsturen.”

Het Amerikaanse kunstpubliek loopt op deze openingsdag van New Yorks belangrijkste kunstbeurs schouderophalend aan de lugubere grafstenen voorbij. Er is wel meer voor nodig om hen nog te shockeren. Er wordt hoogstens een beetje gegiecheld om het homo-erotische kaartspel dat Tony Feher in de stand van Pace Wildenstein exposeert. En in de Friedrich Petzel Gallery kijkt een enkeling gegeneerd naar de video van Sean Landers, van een naakte man die zichzelf met een riem geselt. Maar kunst gemaakt van gecremeerde mensen, dat moet kunnen.

Het is nu nauwelijks meer voor te stellen dat nog geen eeuw geleden, op de oorspronkelijke Armory Show van 1913, Marcel Duchamp voor een schandaal zorgde met zijn geabstraheerde schilderij Naakt de trap afdalend. Critici noemden de tentoonstelling van Europese moderne kunst destijds immoreel en oplichterij. President Theodore Roosevelt verklaarde dat wat er op de Armory Show te zien was geen kunst mocht heten. De nieuwe Armory Show, sinds 1999 een jaarlijks terugkerend evenement, ontleent zijn naam aan die geruchtmakende expositie maar is lang zo omstreden niet. In twee vervallen havenloodsen die aan de westkant van Manhattan de Hudson rivier insteken, tonen ’s werelds voornaamste galeries – waaronder dit jaar ook vier Nederlandse deelnemers – hun beste kunstenaars. De kwaliteit van het aanbod is hoog: van vrijwel alle twintigste-eeuwse kunstenaars die ertoe doen is werk te koop. Maar ook jong talent toont gloednieuwe kunstwerken.

Martijn Dijkstra van de Amsterdamse Upstream Gallery doet dit jaar voor het eerst aan de Armory mee. Hij was van tevoren behoorlijk gespannen, vertelt hij. Want de kosten van standhuur en transport zijn hoog en het is maar de vraag of het Amerikaanse publiek in dit crisisjaar zijn dollars gemakkelijk uitgeeft. Daarbij zijn de tekeningen die hij laat zien, van de Britse kunstenaar David Haines, behoorlijk heftig.

In uiterst realistische stijl is te zien hoe opgeschoten pubers in Adidas-trainingspakken kotsend op de plee hangen of leeftijdsgenoten molesteren. Maar zijn vrees was onterecht, zegt een glunderende Dijkstra. Want de preview voor vips was nog geen vijf minuten aan de gang of hij was alle tekeningen al kwijt. „Het is krankzinnig druk. Dit voelt echt als een soort trip.”

Intussen wordt collega Nieck de Bruijn om de hals gevlogen door een Amerikaanse bezoekster. „This work is totally amazing. Wow, wow, wow!” Als ze hoort dat alles al is verkocht, begint ze hysterisch te gillen. „Amerikanen zijn een gepassioneerd publiek”, zegt De Bruijn met gevoel voor understatement. „Dat maakt de Armory zo leuk.” Ook de andere Nederlandse galeries doen goede zaken. Ron Mandos vertelt dat het MoMA al interesse heeft getoond in een nieuwe video van Hans op de Beeck. En bij de stand van Diana Stigter is er veel belangstelling voor drie nieuwe grote schilderijen van Tjebbe Beekman. „We zitten weer op het niveau van vóór de zomer van 2008, toen de financiële markt instortte”, zegt Nieck de Bruijn. „Als de kwaliteit van de kunst goed is, dan wordt er weer gretig gekocht. Dat zie je ook op de veilingen.”

De prijzen die galeries voor kunstwerken vragen zijn fors. Voor een nieuwe fotoserie van Olafur Eliasson, van terreinwagens die in IJslandse rivieren zijn blijven steken, moet bij de galerie i8 uit Reykjavik maar liefst 145 duizend euro neergeteld worden. En David Zwirner vraagt zonder blikken of blozen vierduizend dollar per stuk voor een aantal onscherpe polaroids die Philip-Lorca diCorcia als voorstudies voor zijn grote fotowerken maakte. „Ze komen vers uit het atelier”, prijst de galeriehouder zijn marktwaar aan.

Jonathan Monk maakt in de Lisson Gallery een leuke kwinkslag naar het hoge prijsniveau op de huidige kunstmarkt. Zijn neonwerk bestaat uit de woorden ‘Do not pay more than 40.000’ – een knipoog naar de punkbandjes die vroeger kopers waarschuwden om niet meer dan tien gulden te betalen voor een elpee.

Wat het kunstwerk werkelijk kost, wil de galeriehouder niet zeggen. „Er is geen vaste prijs. Het is wat de gek ervoor geeft.” Maar op het bod van een geïnteresseerde verzamelaar die vijfduizend dollar biedt, gaat hij niet in. „We willen in ieder geval de helft van die 40.000 halen.”

Aan het eind van de openingsdag zijn de grafzerken van Fernando Mastrangelo nog steeds niet verkocht. Blijkbaar zijn er toch grenzen aan de gretigheid van de Amerikaanse kunstverzamelaars.

The Armory Show. T/m 7 maart, Pier 92 en 94, New York City. Inl: www.thearmoryshow.com