Macro-economie is toch staatshuishoudkunde

De Nederlandse Vereniging van Banken NVB waarschuwt dat het dreigt spaak te lopen met de kredietverlening aan het Nederlandse bedrijfsleven doordat banken worden overspoeld door nationale en internationale regels en restricties. Tot het uitbreken van de kredietcrisis in 2007 hadden zij vrij spel om geld te stoppen in de meest exotische projecten. Ook als dat geen ondernemingen op het bedrijventerrein in de buurt waren, maar dingen als gebundelde, verpakte en opgedeelde vorderingen op huizenkopers in Stockton, Californië of bijna failliete toeleveranciers aan General Motors.

Niemand kende de debiteur, zoals dat vroeger een goede gewoonte was wanneer je aan iemand geld leende, maar dat was ook niet meer nodig. Nu waren er kredietbeoordelaars zoals Moody’s, Fitch of Standard & Poor’s. Als die ergens een goedkeurend stempel op hadden gezet, dan was het goed, dan hoefde je zelf niet meer na te denken.

Of de banken dat zo deden uit vrije wil of om niet achter te blijven bij de concurrentie, doet er niet toe. Feit is dat er een kolossale uitval van gezond verstand optrad. Niemand bedacht bijvoorbeeld dat de kredietbeoordelaars met hun gestempel zelf belanghebbenden waren geworden, want hoe meer stempels, des te meer winst. Op die manier werden er massaal leningen verstrekt aan mensen en bedrijven die het geld nooit zouden kunnen terugbetalen. Totdat het feest stopte, de banken met een kater wakker werden en vaststelden dat hun eigen vermogen was verdampt. Met massale overheidssteun moest een aantal worden gered.

Omdat niemand dit nog een keer wilde laten gebeuren, zeker de overheden niet, kwamen er nieuwe, restrictieve regels. Dat zijn de regels waar de NVB nu, met een enigszins verdacht klinkend verhaal over bewogenheid met ondernemers in het midden en kleinbedrijf, bezwaar tegen maakt.

Het doet denken aan de man die zich heeft opgegeven voor een parachutesprong en later opgelucht is dat zijn vrouw het hem verbiedt. Zo kan hij het op haar schuiven dat hij niet gaat doen wat hij toch niet kon of durfde. De banken kunnen wel zeggen dat ze graag krediet zouden willen verlenen, maar ze kunnen het niet. Ze hebben er het geld niet voor. Want ga maar na. In de wilde jaren van het kredietfeest durfden banken het gemakkelijk aan om voor elke euro eigen geld 30 euro krediet te verlenen. De 29 ontbrekende euro’s waren van spaarders of konden bij andere banken geleend worden. We leefden immers in een nieuwe economie, niemand ging ooit failliet, banken al helemaal niet, en risico hadden we afgeschaft. Dat was omdat zelfs de zwakste debiteur altijd wel ergens geld kon lenen, niet omdat iedereen vanzelf financieel solide was. Maar dat is iets waar we pas later achter kwamen.

Nu is de benevelende cyclus van overvloedig geld en goedkoop krediet in zijn achteruit gegaan. Risico is terug van weggeweest. Geen enkele bankier met gezond verstand leent nu nog 30 keer zijn eigen vermogen uit; dat is nu maximaal 10 à 15 keer geworden. Voor elke euro bankvermogen moet er dus zeker 15 euro krediet worden teruggetrokken, en voor alle banken samen gaat dat om vele miljarden.

Daardoor komen zelfs goede kredietnemers in de knel, wat de banken nog terughoudender maakt. Nee, als die strenge regels er niet waren, zouden de banken zelf moeten zeggen dat ze niet zo veel trek meer hebben in kredietverlening. In ieder geval niet zo veel als vroeger.

Banken werden dus gered door overheden. Van overheden bestond het beeld dat zij altijd over onbeperkt geld konden beschikken. Voor staatsleningen waren er altijd afnemers, want staten gingen niet failliet. Ook in dat opzicht is de wereld hard veranderd. IJsland met zijn failliete piratenbanken kreunt onder de schulden die het heeft moeten garanderen. Griekenland heeft zijn kredietwaardigheid verspeeld en zal woekerrentes moeten betalen voor de ruim 20 miljard euro aan nieuwe staatsleningen die het volgende maand moet zien weg te zetten. En dat is nog maar om te beginnen.

En Nederland? Vooralsnog staan wij bekend als een redelijk solide debiteur, vermoedelijk deels omdat we over nogal wat tafelzilver beschikken dat we in geval van nood naar de lommerd kunnen brengen. Griekenland kreeg van de Amerikaanse bank Goldman Sachs verscheidene miljarden in ruil voor toekomstige landingsrechten en loterijopbrengsten. Het laat zich raden wat een sappige bankiersbuit de verpanding van toekomstige Nederlandse gasopbrengsten had opgeleverd. Dat schijnt nog niet gebeurd te zijn, maar de verleiding ligt op de loer.

Hoe dan ook, het is een ontnuchterend besef dat zelfs een nationale overheid geen eindeloos diepe broekzakken heeft. Macro-economie heette vroeger staatshuishoudkunde. Dat klinkt deftiger maar het verhult de nuchtere werkelijkheid van het huishoudboekje. Zo zei de nieuwbenoemde minister van Financiën De Jager deze week dat er zelfs in deze demissionaire periode bezuinigd moet worden, twee miljard, om „alles netjes achter te laten voor het volgende kabinet”. Dat is een bloedarmoedige, abstracte doelstelling waarvoor geen mens een offer zal willen brengen. Waar het om gaat is dat we onze kredietwaardigheid behouden en geen IJsland of Griekenland moeten worden. Daar hoort bij dat we niet meer uitgeven dan we binnenkrijgen, en de toekomst niet belasten met hypotheken voor de uitgaven van vandaag. Ook de overheid zal moeten gaan bedenken hoe ver haar financiële polsstok reikt, en soms moeten zeggen „dit willen we wel maar we kunnen het niet”.

We zijn allemaal een beetje koortsig geraakt door het gratis geld van voor 2007. Het was een mooi feest zolang het duurde, maar nu is er het grauwe licht van de morning after. We staan weer met onze voeten op de grond, als banken, overheden en consumenten. De huishoudboekjes moeten weer kloppen.