'Ik moet bij alles zeggen wat ik ervan vind'

Nico Dijkshoorn debuteerde als dichter op de website GeenStijl. „Mijn kracht is dat ik iemand in een vernietigend beeld kan neerzetten.”

Met Sophie Hilbrand is het nog goed gekomen, nadat hij het gedicht ‘Nieuwe Wolkersfilm’ schreef. Dat gaat zo: ‘Sophie/ Hilbrand/ liet/ zich/ tijdens/ de/ auditie/ het/ authentiekst/ in/ haar/ kont/ neuken.’ Nico Dijkshoorn: „Ze mailde dat het waar was en dat ze beter haar best zou gaan doen. Ik ben aan het leren, zei ze erbij.”

Het gedicht staat in Daar schrik je toch van. De eerste 1000 gedichten, waarmee Dijkshoorn vorig jaar debuteerde onder zijn pseudoniem P. Kouwes. Dunne gedichten met vaak één woord per regel, die hij voor een deel schreef voor de website GeenStijl. Het was een van de best verkochte dichtbundels van 2009, waarschijnlijk ook doordat Dijkshoorn op woensdagavonden vaste gast is bij het tv-programma De Wereld Draait Door en dan ter plekke gedichten maakt bij uitspraken van gasten. Ook verscheen er vorig jaar een roman: De tranen van Kuif den Dolder. Donderdag verscheen Dijkshoorn, een ruime keuze uit verspreide reportages, columns, verhalen, gedichten en gelegenheidsstukken.

„Ik ben niet alleen maar een rauser”, zegt hij over zijn optreden. De laatste maanden schrijf ik alleen maar jankgedichten bij De Wereld Draait Door, heel emotioneel, hoewel ik er soms ook opeens met gestrekt been in kan gaan.”

Woensdag vergeleek hij Agnes Kant nog met een bedorven worst. „Ik vind het nog mild, omdat er bij politici en artiesten zo’n machinerie achter zit. Mijn kracht is dat ik iemand in een vernietigend beeld kan neerzetten. Maar mijn vriendin zegt wel eens bij een stuk: ‘Kom op Niek, dat leest zijn vrouw. Maar ik denk daar niet over na. Dat moet je van me geloven, ik ben daar volledig naïef in. Ik hoop dat ik dat nog een tijdje vasthoud.”

Bijna twintig jaar, tot 2005, was Dijkshoorn medewerker van de bibliotheek in Amstelveen. „Ik was heel gelukkig. Nu heb ik haast, want ik doe nu pas wat ik het allerliefste wil.” Dat is: drie columns per week, voor De Pers, nu.nl en het voetbalweekbladVI, schrijven voor satirisch tv-programma Draadstaal, veel optredens, televisie en congressen. „Managers willen mij graag erbij op hun alleneuzendezelfdekantopdag. Die kijken naar De Wereld Draait Door en denken: die gozer schrijft op wat hij ziet. Ik ben er voor de verwoording van het gezonde volksgevoel – als iedereen heel tevreden is, hoewel er niks is bereikt.”

Bij een optreden hoorde ik je vorig jaar zeggen dat je goed was gaan schrijven door het lezen van Cees Buddingh’. Hoe zit dat?

„Door school had ik het beeld dat literatuur ingewikkeld was. Toen las ik bij Buddingh’ gedichtjes van een paar regels die op het oog niks voorstellen, met soms volstrekt nutteloze observaties. Ik herkende me in zijn kijk, in het verbijzonderen van het gewone. Zoals dat gedicht met dat elastiekje, dat eerst leek op een schaartje en toen op een brilletje. Volstrekt geniaal. Ik las ook Boutens en Lucebert, maar dit was van een verfrissende directheid.

„Als Kouwes werk ik ook zo: loeren naar kleine zwakheden, me verbazen over dingen waar iedereen overheen kijkt.

„Ik kocht ook een boekje met een cassette van Buddingh’ en toen kwam er nog een klap overheen: hij kon het ook met zijn stem. Van alle schrijvers waar ik van houd, hoor ik de stem: Buddingh’, Reve, Johnny van Doorn, Vinkenoog.

„Voskuil doet hetzelfde als Buddingh’ in zijn wandelboeken. Ze maken het niet leuk. Even dieptepsychologie naar mezelf toe: dat doe ik dus wel. Dat is confronterend: zoals zij doen moet het. Die kant wil ik op.”

Je kijkt er serieus bij.

„Het is echt zo. In dit nieuwe boek staat een verhaal over mijn zoontje die twee jaar op de jeugdopleiding van AZ zit en dan het plezier in voetballen verliest. Dat is zoveel beter dan wat ik daarvoor heb geschreven, omdat ik het bewust niet leuk heb gemaakt.

„Ik ben trots op dit boek, maar er staan wel een paar hysterische stukken in, zoals Op tournee met Rotten Copscorps, waarin ik met mijn vriend Reet op pad ga met een rockband.

Je andere voorbeeld, Johnny van Doorn, is ook over de top.

„Ja, in zijn gedichten. Maar ik leerde eerst zijn proza kennen. Het was bij de dood van de vader van mijn ex-vrouw. Na drie dagen rouwen moest ik in een andere stemming komen en ik heb toen in den blinde zijn Gevecht tegen het zuur gekocht. Het klinkt wat theatraal, maar dat heeft mij gered. Prachtige, rustige verhalen over een biefstukje eten met zijn vader, receptjes voor knoflooksoep, beetje rondhangen.”

Vanwaar jouw bewondering voor die gewoonheid?

„Van Doorn schreef bijvoorbeeld een verhaal over op vakantie gaan naar Terschelling. Dat doen we allemaal wel eens. Hij beschrijft het geluk en de opluchting als je aankomt bij het huisje dat je hebt gehuurd en dat het dan een goed huisje is. Het heeft geen kutnaam, want het heet niet De Venneklepper ofzo, maar gewoon De Meeuw. Al die dingen waar je niet bij stilstaat, die je accepteert als je dagelijkse gevoelens, daar neemt hij de tijd voor. Dat is bijzonder.”

Wat dreef je bij het schrijven van je gedichten?

„Ik begon op GeenStijl, waar ik à la de comedian Andy Kaufman probeerde te fucken met een groot medium. Heel veel mensen geloofden dat Kouwes een ruige, Amsterdamse rondneukende bouwvakker was. Eerst schreef ik interpunctieloze verhalen vol spel- en tikfouten en rare samenvoegingen, alleen begrijpelijk als je ze hardop leest. Tot iemand schreef: ‘Kouwes, doe es een gedigtje’.

„Toen had ik bedacht: als Kouwes gedichten schrijft, komt hij opeens wel uit zijn woorden. Ik deed dat op dinsdagavond en dan zaten er duizenden mensen mee te kijken. Mijn drive was de interactie. Dan riepen reageerders wat en dan deed ik twintig gedichtjes.

„Mijn kick was dat het zo wezensvreemd was. GeenStijl is op een kantoortje bedenken hoe je kan provoceren, maar dit was live en voor een publiek waarvan je wel als laatste zou verwachten dat het geïnteresseerd is in poëzie.”

Waarom zat je bij GeenStijl?

„Ik ben het liefst op plekken die je zou moeten haten. Dat levert iets spannends op. Iets vergelijkbaars: ik was gevraagd een prijs uit te reiken bij het Leids Cabaret festival. Ik haat cabaret. Een kaartje moeten kopen voor iemand die leuk doet op het podium. Dat trek ik niet.”

In je je stukken en bij optredens breng je toch ook op afspraak anderen aan het lachen?

Dijkshoorn lacht en roept protesterend „nounounou”. „Als jij het zo ervaart, heb ik gefaald. Wat ik doe is niet bestudeerd. Cabaretiers maken een programma, doen try-outs en kijken waar de lach zit.”

Jij bent misschien sneller.

„Misschien? Zeker! Als ik bij De Wereld Draait Door begin heb ik echt niks en dan kan het mislukken, of niet. Wat ik doe, is in die kringen uitermate verdacht, want ik werk er niet driekwart jaar aan. Ik zou gek worden als ik mijn verhalen zou moeten omschrijven tot ik een gulle lach scoor. Of iemand het leuk vindt of niet interesseert me geen hol.”

Vanwaar je behoefte aan oordelen?

„Dat wekt internet op. Twitter: alsof het voor mij gemaakt is. Ik kijk televisie en wind me op. Het is lol trappen. Dat doe ik mijn hele leven al. Ik moet bij alles zeggen wat ik ervan vind. Mensen zonder mening vind ik saai. Van zwijgende mensen word ik helemaal naar.”

Dat dichtend personage dat je zegt te hebben gekozen, die bouwvakker, die ligt heel dicht bij je.

„Ja, dat ben ik natuurlijk. Ik ben een Amsterdammer. Niet dat er veel gevloekt werd bij ons thuis. Ik ben onaangepast. Het is ook dwarsigheid. Als ik op televisie ben, heb ik geen zin om opeens netjes te gaan formuleren. Als je Amsterdams praat, is de perceptie in het schrijverswereldje dat je een domme klootzak bent, en ik ga niet mijn best doen om te laten merken dat ik erg belezen ben. Maar als ik het podium op ga, lees ik ze allemaal weg.

„Ik stond een keer met Thomas Rosenboom in de Comedy Club, leest hij het hele eerste hoofdstuk van zijn nieuwe briljante roman voor. Niet dat ik er een show van wil maken, maar dat ik verstaanbaar ben, is wel lekker. En dat ik het boek niet voor mijn kop hou.”

Het gaat in je werk vaak over authenticiteit. Wat is daar zo interessant aan?

„Ik benader het van de andere kant. Wat ik permanent doe is mensen die ik ontmoet indelen: ik geloof je of ik geloof je niet.

„In dit boek staat het verhaal over mijn bezoek aan een Piratenfestival in Onstwedde, Groningen. Ik was daar de Amsterdamse arrogante lul. Arie Ribbens was er, een volkomen authentieke debiel, die als je hem boekt een dag eerder lekker met zijn camper komt. Hilarisch, maar ik geloof die man.”

Wat was de inzet bij je roman, De Tranen van Kuif den Dolder?

„Ik wilde een boek schrijven over iemand die iets heel goed kan, voetballen in dit geval. Kuif komt zelf niet aan het woord. Het is oral history. Zet dat in godsnaam niet zo in het interview, want ik noem steeds voorbeelden alsof ik maar in de buurt kom, maar ik dacht aan In Cold Blood van Truman Capote. En aan De Metsiers van Hugo Claus. Dat vloerde mij, het idee dat je door veel mensen aan het woord te laten, van alle kanten een situatie kan schetsen.

„In de roman zit ook mijn rare angst in voor platteland. Dat benauwde. Dat iedereen alles van iedereen weet. Dat alles hetzelfde moet blijven.

„Kuif leest. Dan ben je meteen een lul. Bij ons werd je de kamer uitgejonast als je op een verjaardag een verhaal vertelde over een toneelstuk. Dat werd als bijzonder ongezellig ervaren.”

Je hebt de literatuur niet van huis uit meegekregen?

„Ben je gek. Ik heb het zelf moeten veroveren. Mijn vader was automonteur. Het was niet de familie Krabbé.”