Het gaat om minder dan 100 miljoen per jaar

De kwestie Icesave gaat al lang niet meer om de 3,8 miljard euro die IJsland moet terugbetalen aan Nederland en het Verenigd Koninkrijk. Het is een prestigestrijd geworden.

Een zachte noordenwind blaast over de start- en landingsbaan van Kevlavik, de internationale luchthaven van IJsland. Het is vrijdagmiddag 10 oktober 2008, zwaar bewolkt en een graad of zeven, als de vijf leden van de Nederlandse delegatie in een taxi de ongeveer 50 kilometer overbruggen tussen vliegveld en hoofdstad. Ronald van Roeden, als Nederlandse ambassadeur in Noorwegen ook verantwoordelijk voor IJsland, was rond drie uur die middag vanuit zijn standplaats Oslo gearriveerd. Johan Barnard van het ministerie van Financiën, Rudi Kleijwegt, divisiedirecteur toezicht van De Nederlandsche Bank (DNB) en twee DNB-medewerkers kwamen rond diezelfde tijd aan vanuit Amsterdam.

Als het vijftal tegen half vijf Reykjavik inrijdt, stuiten het op demonstraties. Drie dagen eerder zijn de drie grote IJslandse banken (Landsbanki, Glitnir en Kaupthing, samen goed voor 85 procent van de totale bancaire sector) genationaliseerd. Reykjavik heeft die middag iets weg van „een warzone”, vindt de delegatie.

De taxi zet hen af bij het kantoor van de IJslandse toezichthouder FME. Daar, in een klein kamertje, wacht een club van zo’n vijftien IJslanders de Nederlanders op. Onder hen Baldur Gudlaugsson, secretaris-generaal van het ministerie van Financiën, die inmiddels vervolgd wordt wegens handel met voorkennis in aandelen Landsbanki. De bijeenkomst, geïnitieerd door DNB, kent een helder doel: bespreken wat er de dagen daarvoor in IJsland is gebeurd en proberen de gevolgen daarvan voor zowel Nederland als IJsland te beperken.

De Nederlanders weten dat ze het zwaar krijgen. Zij moeten proberen de spaartegoeden van zo’n 120.000 Nederlandse spaarders veilig te stellen. Die hadden hun geld tegen hoge rente weggezet bij Landsbanki-dochter Icesave, die eind mei 2008 de virtuele deuren in Nederland had geopend.

Ook 240.000 Britten zijn gedupeerd door het faillissement. De Britse overheid had op 8 oktober met een beroep op de Anti-terrorism, Crime and Security Act van 2001 direct alle IJslandse tegoeden bevroren. De IJslanders zijn daar woedend over en willen mede daarom dat het overleg met de Nederlanders slaagt. Een dag later zouden de Britten op de stoep staan om eveneens te onderhandelen. Een akkoord met de Nederlanders zou de IJslanders goed uitkomen in die onderhandelingen.

Die positie speelt de Nederlandse onderhandelaars in de kaart. Zij kunnen zowel de good guys spelen als hoog inzetten in de onderhandelingen in de wetenschap dat IJsland veel waarde hecht aan welk akkoord dan ook. Na uren van praten en onderhandelen ligt er rond één uur in de ochtend een principeovereenkomst. Kern daarvan: IJsland accepteert de verplichting dat het de Nederlandse spaarders elk tot 20.887 euro zal compenseren. Nederland zal die verplichting voorfinancieren in de vorm van een lening aan het IJslandse depositogarantiefonds, dat gegarandeerd wordt door de IJslandse regering, inclusief rente.

Vrijdag 5 maart 2010, rond het middaguur. Ruim 17 maanden na de ondertekening van het memorandum worden in Londen de onderhandelingen over een definitieve invulling van het akkoord gestaakt. De IJslandse delegatie trekt zich terug uit onderhandelingen die sinds eind januari weer waren geopend. Breekpunt: de kosten die IJsland in rekening gebracht kreeg voor de lening. Het gevolg is dat 225.000 IJslanders vandaag naar de stembus gaan om zich uit te spreken over de terugbetaling van de schuld. Bij de laatste peiling was 75 procent tegen.

Icesave ging op 8 oktober 2008, op het dieptepunt van de internationale kredietcrisis, failliet. Om paniek te voorkomen, zegden de Britse en de Nederlandse overheden direct toe dat spaarders hun geld terug zouden krijgen. Hoe was van later zorg.

Per saldo draait de Icesave-kwestie om een klein bedrag. In totaal zijn de IJslanders na het faillissement van de internetspaarbank de Britten en Nederlanders 3,8 miljard euro verschuldigd. Het grootste deel daarvan, zo bevestigen de IJslandse curatoren, kan uit de boedel van Landsbanki komen als die wordt afgewikkeld. Resteert op zijn best zo’n 1,5 à 2 miljard euro, die de IJslanders de komende 15 tot 21 jaar moeten terugbetalen. Dat is minder dan 100 miljoen per jaar. Voor een economie met een omvang van 12 miljard euro een flink bedrag, maar draaglijk, zo oordeelde het Internationaal Monetair Fonds.

In totaal schoot de Nederlandse staat 1,329 miljard euro voor, waarvan 1,322 miljard aan gegarandeerde deposito’s en nog eens 7 miljoen voor gemaakte kosten door De Nederlandsche Bank en de Staat (onder meer de inhuur van zestig uitzendkrachten in december 2008 om alle 120.000 rekeningen door te ploegen).

Toch is de Icesave-kwestie uitgegroeid tot een gigantische diplomatieke prestigestrijd. IJsland zag een lening van het IMF geblokkeerd worden door de slepende zaak en verwijt Nederland en de Britten vals spel. De schuldeisers op hun beurt voelden zich door IJsland gediscrimineerd, omdat IJslandse spaartegoeden wel werden gegarandeerd. Angst voor internationale precedentwerking als IJsland hierme ‘wegkomt’, speelt ook een rol in de kwestie.

Dat IJsland vroeg of laat ten onder zou gaan aan de eigen financiële sector, kon voor niemand een verrassing zijn. Een klein land, met een grote internationaal georiënteerde bankensector, een eigen valuta en een rijksbegroting die niet in de buurt komt van het balanstotaal van de banken, is extreem kwetsbaar in financiële stormen zoals de kredietcrisis.

Al bij de komst van Icesave naar Nederland, in mei 2008, rezen er vragen over de financiële stabiliteit van de internetspaarbank en moeder Landsbanki. Toezichthouder DNB, blijkt uit onderzoek van rechtsgeleerden Du Perron en De Moor, krijgt er dan niet de vinger achter wie er opdraait voor de schade als het IJslandse depositogarantiestelsel faalt.

De maanden na het sluiten van de principeovereenkomst wordt gewerkt aan een concrete invulling van de afspraken. Eerst met instemming van de IJslanders, al snel ondanks de IJslanders. Bemiddeling van het Franse EU-voorzitterschap voorkomt in november 2008 dat de zaak escaleert. In de dan afgesloten zogenoemde ‘Brusselse richtlijnen’ schaart IJsland zich formeel achter de in oktober gemaakte afspraken.

Wat volgt is een trits bijna-akkoorden. De rente wordt lager, de terugbetaaltijd langer, er is al dan niet sprake van een minimale economische groei in IJsland alvorens er afgelost wordt. De enige constante is dat het steeds niet tot een definitief akkoord leidt.

In Nederland is men er, zeker sinds het veto van president Grimsson begin dit jaar, van overtuigd dat IJsland vooral een probleem met zichzelf heeft. De IJslandse woede over het disfunctioneren van de eigen politieke en financiële elite, maakt onderhandelingen welhaast onmogelijk.

Eind januari 2010 volgt opnieuw een verzoek tot onderhandelingen vanuit IJsland. Die vinden plaats in Den Haag. Nederland en de Britten leggen op 22 februari een finaal bod op tafel, met een aangepaste, nu variabele rente en een kwijtschelding van de rente over 2009 en 2010, wat IJsland 418 miljoen euro scheelt.

Aan IJslandse zijde worden de onderhandelingen vanaf 9 februari 2010 echter geleid door de Amerikaanse advocaat Lee C. Buchheit, een expert op het gebied van buitenlandse schulden. Met zijn komst verharden de onderhandelingen. IJsland wijst het finale bod op 25 februari af met als argument dat beide landen winst maken over de ruggen van de IJslanders. Advocaat Buchheit lijkt echter nog een keiharde troef achter de hand te houden: de vraag of IJsland bij een gang naar het Europese Hof uiteindelijk wel gedwongen kan worden de lening terug te betalen.

Dat is geen uitgemaakte zaak omdat de Europese wetgeving hierover rammelt. IJsland is als lid van de Europese Economische Ruimte gebonden aan Bijlage IX van de EER-overeenkomst. Daarin zit ook de richtlijn uit 1994 die lidstaten verplicht een depositogarantiestelsel te hebben, dat een minimumbedrag garandeert. De juridische onduidelijkheid zit hem in de vraag of de lidstaat aansprakelijk is als er niet genoeg dekking is via het fonds. De heersende opvatting is dat de lidstaat dan inderdaad bij moet springen.

Dit wordt echter wel betwist: er staat nergens in de richtlijn expliciet dat een dergelijke staatsgarantie er moet zijn. Bovendien, zo claimen veel IJslanders, zou die garantie in ieder geval niet gelden bij een totale instorting van het financiële systeem. Vooralsnog is er geen uitspraak van het Europese hof waarin dit geschilpunt is beslist. Buchheit suggereert die procedure te willen starten als er geen bevredigend akkoord komt.

Zo ver is het nu nog niet. Vandaag is er eerst het referendum. Het verwachte massale ‘nee’ kan IJsland helpen de druk op Nederland en de Britten verder te vergroten om een voordeliger akkoord te sluiten. Voor binnenlands politiek gebruik is een ‘nee’ echter desastreus. Zittend premier Johanna Sigurdardottir stemde vorig jaar immers zelf in met het nu voorliggende voorstel en had haar politieke lot verbonden aan een positief oordeel van het parlement.

En na het verwachte ‘nee’? Dan resteert opnieuw de chaos. Nederland en Groot-Brittannië wachten af waar IJsland mee komt.