Getergde Brown bijt van zich af

Zelfverzekerd weerlegde premier Brown de kritiek dat hij als minister van Financiën beknibbelde op de uitrusting van Britse soldaten in Irak.

Het was een schrijnend verwijt, dat de afgelopen dagen telkens weer uit militaire hoek opdook. De Britse premier Gordon Brown zou destijds als minister van Financiën onvoldoende geld hebben willen vrijmaken voor de adequate uitrusting van de eigen troepen in Irak en Afghanistan. Sommige soldaten zouden voor die zuinigheid met hun leven hebben geboet.

Een getergde Brown poogde zulke beschuldigingen gisteren tijdens een verhoor van ruim vier uur voor de commissie die de Britse rol in Irak onderzoekt, te ontzenuwen. Steeds als het ministerie van Defensie in 2003 en daarna bij hem aanklopte voor extra geld had hij meegewerkt, zei hij. „Geen enkel verzoek werd ooit afgewezen.”

Gisteren nog had Lord Guthrie, oud-stafchef van de strijdkrachten, in het dagblad The Times verklaard dat te karige middelen voor Defensie „zonder twijfel” hadden geresulteerd in extra gesneuvelde militairen in Irak en Afghanistan. Daardoor konden benodigde pantservoertuigen en helikopters niet tijdig worden aangeschaft.

Brown, die een zelfverzekerde indruk maakte, kaatste de verwijten gisteren terug naar de generaals. „Ik moet onderstrepen dat het niet aan mij is militaire beslissingen te nemen omtrent de toestand in het veld en over het gebruik van bepaalde militaire voertuigen”, zei de premier.

Voor Brown stond er veel op het spel bij de hoorzitting. Binnen een paar maanden moet hij nieuwe Lagerhuisverkiezingen uitschrijven en de campagne is feitelijk al begonnen. Juist daarom had de commissie Brown aanvankelijk pas na de verkiezingen willen horen. Maar na kritiek van oppositiepartijen verzocht de premier zelf eerder te worden uitgenodigd. Hij wilde niet de indruk wekken dat hij iets had te verbergen.

Zoals gewoonlijk had de premier zich grondig voorbereid. Vaak onthaalde hij de commissie op een stortvloed van details, uiteenlopend van de voordelen van bepaalde helikopter-rotorbladen tot complexe boekhoudkundige regels. Op zeker ogenblik verzocht voorzitter Sir John Chilcot hem zelfs rustiger te spreken omdat de stenograaf hem niet kon bijbenen.

In moeilijkheden kwam de premier nauwelijks. Toch hield zijn verhoor iets onbevredigends. Bij herhaling negeerde Brown vragen van de commissieleden. In plaats daarvan bracht hij – zoals ervaren politici vaker doen – punten naar voren, waaraan hij zelf hechtte.

Ook het verwijt dat hij eind 2003 een miljard pond had ‘geguillotineerd’ van de defensiebegroting, zoals een voormalige hoge ambtenaar vorige maand had gezegd, veegde hij van tafel. Door een nieuwe opzet van de begroting zwom Defensie volgens Brown in het geld en was een correctie nodig. Per saldo waren de fondsen voor defensie echter steeds gestegen, betoogde hij.

Wie had gedacht dat Brown de gelegenheid zou aangrijpen zijn voorganger en rivaal Tony Blair zwart te maken, kwam bedrogen uit. Al direct maakte hij duidelijk dat hij de inval had gesteund. „Ik geloof dat het de juiste beslissing was, die om de juiste redenen werd genomen”, aldus de premier. Brown stelde ook dat Blair de zaak goed had afgewikkeld.

Toch week Brown op een belangrijk punt af van Blair. Die legde tijdens zijn verhoor een verband tussen de inval in Irak en de ommekeer die de aanslagen in de VS van 11 september 2001 teweeg brachten. Daardoor werd de dreiging van het regime van de Iraakse leider Saddam Hussein anders beoordeeld dan eerst. Brown daarentegen betoogde dat hij actie tegen Irak vooral nodig vond omdat de internationale orde in gevaar kwam, indien een land als Irak steeds ongestraft de resoluties van de VN-Veiligheidsraad naast zich neer kon leggen.

Anders ook dan Blair toonde Brown meer medeleven met de slachtoffers en hun nabestaanden. Maar net als zijn voorganger nam hij de woorden ‘spijt’ of ‘sorry’ niet in de mond.