Geloof, hoop en film

Bas Heijne bezoekt Hollywood, aan de vooravond van de 82ste Oscar-uitreiking, zondag 7 maart. ‘Iedereen liegt hier.’

‘C’mon guys, it’s movie time!’ Hugh Hefner, zwart zijden pyjama, rood zijden kamerjas, sommeert zijn gasten. Ik ben in de Playboy Mansion, zijn propvolle landhuis in Holmby Hills, gebouwd in een stijl die het zakenblad Forbes eens als ‘Gothic-Tudor’ omschreef. Een van de zijvertrekken is tot een filmzaaltje omgebouwd. Op de leren bank vooraan wacht zijn blonde vriendin Chrystal al onder een dekentje, naast haar een kleine hond met een mopsneus. Voor de gasten staan er stoelen klaar. Er is popcorn.

Hefner is filmgek. Drie avonden per week vertoont hij bij hem thuis voor genodigden een speelfilm, twee oude en een die nog maar net in de bioscopen draait. De oude films laat hij op zijn kosten restaureren door de universiteit van Californië. Daar stopt hij veel geld in, vertelt Patricia, een slanke, jongensachtige vrouw, mijn gezelschap voor vanavond. Zij is de weduwe van Gene Kelly. Toen ik haar vertelde dat ik in Los Angeles ben voor een verhaal over Hollywood, nodigde ze me uit met haar mee te gaan naar Hefners filmavondje. In de auto op weg naar de Mansion vertelde ze me dat ‘Hef’ na de dood van Gene Kelly in 1996 een van de weinige vrienden is geweest die haar trouw is gebleven.

Vanavond verzorgt Hefner zelf de inleiding. Zittend op de leuning van de bank leest hij voor van handgeschreven vellen papier. Wanneer iemand iets naar hem roept, houdt hij zijn hand vragend tegen zijn oor. Drieëntachtig is hij, een oude man met een twinkeling in zijn ogen.

Het is een klein gezelschap dat zich vanavond in de Mansion heeft verzameld; vooral vrienden van Hef, oude mannen in vrijetijdskleding, een enkele minnares van vroeger. Naast mij zit Joyce, een vriendelijke vrouw met een strak gezicht en witte haren, die volgens Patricia, eind jaren vijftig een onweerstaanbare „bombshell” was. Ze heeft een schaaltje popcorn op schoot.

De lichten doven en Hefner zet zijn koptelefoon op. De film is The House of Rothschild, uit 1934, met George Arliss en Boris Karloff. Geen meesterwerk, maar het verhaal over de beroemde bankiersfamilie ten tijde van de napoleontische oorlogen bevat een gedreven boodschap: Joden lijken dan misschien wel geobsedeerd door geld, ze zijn net zo vaderlandslievend als iedere andere burger. In het jaar na de machtsovername door Hitler, reageert Hollywood met een vermakelijke film waarin ongegeneerd geschmierd wordt over de zakelijke handigheid van Joden – tot groot vermaak van de vrienden van Hef – maar tegelijk wordt gesteld dat zij tot op het bot loyaal zijn.

De film is aandoenlijk, net als de vertoning ervan vanavond in de Playboy Mansion. Het huis van Hefner, met zijn donkere, laatmiddeleeuwse lambrisering, zijn schilderijen en ontelbare souvenirs – foto’s, posters, beeldjes – staat voor het eindeloos leven in het moment, maar heeft onmiskenbaar iets van een museum. De Playboy-tycoon met zijn hedonisme en inwisselbare blondines – hij heeft er nu nog drie – is zelf een levende Hollywoodmythe. Alles in zijn huis verwijst naar vroeger. Het toilet, met zijn donkere spiegels en wc-bril van nep-onyx, brengt me naar de jaren zeventig. Een van zijn vrienden, een grote, joviale man met hangwangen, die bekend is doordat hij televisiespotjes inspreekt, laat me na afloop van de film de tekening van Matisse zien waarop John Lennon een peuk heeft uitgedrukt.

De vrienden van Hef blijven staan napraten. Het gaat over film. Heeft Patricia er wel voor gezorgd dat de films van haar man goed geconserveerd worden? Van iedere methode worden de voor- en nadelen besproken. De man met hangwangen vertelt dat een van Hefs meisjes na de vertoning van Valkyrie, over de mislukte aanslag op Hitler, hardop vroeg: „Why did they want to kill the man with the moustache?”

Dat Los Angeles een filmstad was wist ik, maar niet dat film hier de kracht heeft van een geloof. Ik ben hier in de aanloop van de tweeëntachtigste Oscaruitreiking, maar kom er snel achter dat Hollywood eigenlijk geen plaats is. De attracties die toeristen trekken, de handafdrukken van de sterren voor Grauman’s Chinese Theatre, het Kodak Theatre, waar de Oscars worden uitgereikt, de eindeloze rijen sterren in het plaveisel van Hollywood Boulevard – het zijn symbolen van iets dat veel groter en tegelijk minder tastbaar is.

Film is de hogere werkelijkheid. Film verschijnt op de enorme billboards boven Sunset Boulevard, in de huizen en straten die hebben gediend als decor voor memorabele scènes („Zie je die gevel? Komt voor in The Best Years of Our Lives”). Film duikt op in de gesprekken van de mensen naast je in de restaurants. De plaatselijke kranten en blaadjes staan vol Hollywoodnieuws – over Tom Cruise die niet langer een percentage kan eisen van de opbrengst van zijn films, over de zware dip die de industry parten speelt, over Adam Yauch van de Beastie Boys, die tegen de stroom in een distributiebedrijf voor de betere cinema heeft opgericht, over de hoofdrolspeler in The Hurt Locker die in zijn vrije tijd huizen in Los Angeles opknapt om iets te doen dat ‘echt’ is en over het Hollywood Sign in de heuvels boven de stad dat aan het zicht onttrokken dreigt te worden door de plannen van projectontwikkelaars. Tijdens mijn verblijf zijn de letters enkele dagen bedekt met witte doeken waarop letters ‘Save the Peak’ vormen – bewoners van Hollywood zijn bezig de omliggende grond op te kopen, zodat de beroemde letters vanuit de stad zichtbaar zullen blijven.

De verlopen uitziende biker die naast me in een cafetaria in Culver City met een vriend zit te praten, zijn motorhelm naast zijn stoel, begint ineens te praten over rollen waarvoor hij paard heeft moeten leren rijden, over acteurs uit Ohio die zijn opgeleid volgens de verkeerde methode en de scène met „that Asian girl” die een bijzondere chemie had. Als ik hem later zie wegrijden op zijn Harley-Davidson denk ik ineens zeker te weten dat het Nick Nolte is.

Want ook dit geloof kent verschijningen. Het zijn de sterren die gespot worden terwijl ze iets alledaags doen, winkelen met mutsje en zonnebril op, eten in restaurant Koi of ontbijten in het Chateau Marmont. Er zijn openbaringen. Dat zijn de mythische verhalen over de onverwachte doorbraak, het plotselinge succes, de hit die niemand zag aankomen – zoals het verhaal over die scenarioschrijver die een aanrijding veroorzaakte met de auto van een producer en de zaak afkocht met het script dat hij in zijn auto had liggen, wat vanzelfsprekend een filmhit opleverde. In de dikke week dat ik in Hollywood verblijf, hoor ik het drie keer voorbijkomen, telkens met kleine variaties en steeds weer met de verzekering dat het echt gebeurd is. Niemand kan me de titel van de film vertellen.

‘Iedereen liegt hier.” Jamison Haase kijkt er opgewekt bij. „Ze bedoelen het niet gemeen. Iedereen in deze stad doet zo zijn best, heeft zich zoveel moeten ontzeggen, dat ze begrijpen hoeveel pijn afwijzing doet. Dat willen ze je besparen.’’

We drinken koffie in een Starbucks op Sunset Boulevard, tegenover het art deco Sunset Towers, waar de sterren logeren en waar premièrefeesten gegeven worden. Haase is het type all-American jongen. Hij heeft blauwe ogen, ziet eruit als een twintiger. De huid onder zijn ogen is opvallend strak, zijn wenkbrauwen zijn geëpileerd. Hij gaat iedere dag naar de sportschool, zegt hij. Zijn agent zegt dat hij best wat bruiner mag, maar er zijn grenzen: hij is van Duitse afkomst, hij hoort bleek te zijn. „Maar als acteur kun je niet onverzorgd de straat op. Stel je voor dat je daardoor een auditie misloopt.”

Tien jaar is Haase in Hollywood. Als tiener was hij een verlegen jongen, op school niet goed in sport. Toen hij op een dag werd overgehaald om mee te doen aan een toneelvoorstelling, was hij verkocht. „Onder acteurs voelde ik me voor het eerst thuis.” Op zijn vijfentwintigste gooide hij wat spullen in zijn auto en reed hij van Minneapolis naar Los Angeles. Hij kende vrijwel niemand in de stad.

„De eerste vijf jaar had ik geen werk. Ik verdiende mijn geld als ober en barman. Acteurs ontlenen hun gevoel van eigenwaarde aan hun succes. Als je geen audities hebt, geen werk krijgt, begin je aan jezelf te twijfelen. Ik ben vaak genoeg huilend in slaap gevallen.”

De afgelopen jaren ging het beter. Haase (spreek uit als hees) speelde in een paar kleine, onafhankelijke filmproducties (onder meer in een film die The Condom Killer heet) en kleine rollen in televisieseries als Prison Break, Mad Men and 24. In de recente speelfilm Crossing Over, een drama over illegale immigranten, had hij een scène met Harrison Ford als ‘Police Officer in Liquor Store’.

Het gaat goed, maar niet goed genoeg. Hij geeft acteerles en werkt nog steeds in een restaurant op La Cienega Boulevard. Zijn vriendin, ook actrice, doet het beter, maar ook zij ziet voortdurend collega’s om zich heen die meer werk hebben, meer succes hebben. „Dat maakt het soms moeilijk om gelukkig te zijn.” Bovendien is het nu crisis in de industry. Gearriveerde acteurs die eerst volop aan de bak kwamen, pakken nu alles aan wat ze kunnen krijgen, zodat ze de minder succesvolle acteurs onder hen uit de markt duwen. „Het is een gevecht om de kruimels. Iedereen krimpt in. De vakbond heeft zoveel macht moeten inleveren. Alles werkt tegen een acteur.”

Het zwaarst heeft Haase het, zegt hij, als vrienden hem komen vertellen dat ze het niet langer kunnen opbrengen, dat ze naar huis gaan. Denkt hij er zelf wel eens over om zijn koffers te pakken? „Ik zou alleen terug kunnen gaan wanneer ik het gevoel had dat ik succes genoeg had om mezelf geslaagd te voelen. Als ik nu zou opgeven, zou dat betekenen dat alle tijd en energie en investeringen tevergeefs zouden zijn.’’

Als ik hem vraag waarop hij van de dingen die hij de afgelopen tien jaar heeft gedaan het meest trots is, kijkt hij me niet-begrijpend aan. „Ik ben bezig met wat nog komen moet.” Echt beroemd hoeft hij niet worden, zegt hij. Laatst at Brad Pitt in het restaurant waar hij werkt. Haase zag hoe de acteur de zaak moest verlaten; iemand zette zijn motor buiten voor hem aan, Pitt deed zijn integraalhelm in het restaurant op om de wachtende fotografen te dwarsbomen en rende op een afgesproken teken naar buiten. „Dat hoef ik niet”, zegt Haase, terwijl hij mij vol overtuiging aankijkt. „Ik zou een acteur willen zijn van wie mensen, zeggen: wat is die vent goed, zeg. Waar speelt-ie ook alweer nog meer in?’”

Er is de andere kant van het geloof: scepsis en de ironie. Hollywood is zich bewust van zijn eigen absurditeit. Slechte films worden weggehoond, gevallen sterren worden belachelijk gemaakt. Regisseurs klagen over het gebrek aan artisticiteit bij de studiobazen. Er wordt gewanhoopt over het gebrek aan investeerders, gemopperd over het gebrek aan durf. Hollywood is Hollywood niet meer, de studio’s zijn volledig corporate geworden, niemand steekt zijn nek meer uit.

De aanstormende producer Ryan Kavanaugh beweert in het Hollywoodnummer van Vanity Fair dat hij een methode heeft gevonden om te weten te komen of een film het in zich heeft een succes te worden. Hij stopt alle mogelijke gegevens over genre, verhaal en acteurs in een computer – wanneer die minder dan 30 procent kans op succes voorspelt, haalt Kavanaugh een streep door het project. De auteur van het artikel kan niet besluiten of hij Kavanaugh een wonderkind vindt of de zoveelste valse profeet die misbruik maakt van de vertwijfeling die Hollywood in zijn greep heeft. Dat recept voor een hit is te plat voor woorden, hoe diep is Hollywood gezonken wanneer de computer het laatste woord heeft – maar stel dat het werkt? Stel dat Kavanaugh de magische formule heeft gevonden, die rommel in goud verandert?

Wanneer een producer als Kavanaugh het over de mensen heeft die zijn films maken, de regisseurs, scenarioschrijvers en acteurs, spreekt hij consequent over the talent, een term die een gelijke mate van respect en afkeer in zich draagt. Bret Easton Ellis, schrijver van de grote roman American Psycho, moet glimlachen wanneer hij de uitdrukking hoort. „The talent is van essentieel belang voor een film. Dat vindt men onuitstaanbaar en daarom doet Hollywood alles om zich ervan te bevrijden. Het zijn de schrijvers en de acteurs die door het systeem als oud vuil behandeld worden. Dat schept een band.”

Ellis groeide op in Los Angeles, dat het decor vormt voor zijn debuutroman vol angst en leegte, Less Than Zero, en vertrok daarna naar New York. Vier jaar geleden keerde hij terug, omdat New York hem „niets meer te zeggen had. Er zijn alleen nog maar rijke mensen en toeristen.” Hij woont in een smetteloos, minimalistisch ingericht appartement op de elfde verdieping van een complex in West Hollywood. De woonkamer biedt een panoramisch uitzicht over Los Angeles, blinkend in de zon. Wanneer ik zeg hoe mooi de stad zo is, verzucht hij: „Ja… ik wou alleen… dat het een andere stad was.”

Een giftige plant, noemt hij Los Angeles even later. Onweerstaanbaar, levensgevaarlijk.

Sinds hij terug is in de stad schrijft Ellis, zoals zoveel bekende Amerikaanse romanschrijvers vóór hem, scenario’s voor Hollywood. Tot dusver werd één enkel scenario verfilmd, zijn bewerking van zijn eigen verhalenbundel uit de jaren negentig, The Informers. Het werd een debacle. „Ik wilde een grootste film schrijven, het beste script ooit geschreven. Toen ik de eerste screening bijwoonde, kon ik mijn ogen niet geloven. De toon was weg. Dat was pijnlijk, omdat het niet om een opdracht ging waar ik toevallig voor was ingehuurd, maar om een boek van mezelf. Ik had nauw samengewerkt met de regisseur en de producent. Ik had het gevoel dat ik controle had.” Waarom ging het dan toch mis? „Om honderd redenen. De postproductie duurde ontzettend lang. Er moesten andere scènes gefilmd worden, aangezien het testpubliek vond dat sommige dingen niet te snappen waren. De nieuwe scènes die ik schreef, kwamen vervolgens toch niet in de film terecht, op een na, juist een waar ik niet bepaald trots op was. Er werden verschillende versies van de film gemaakt. Toen ik onlangs weer at met de regisseur, ik had hem maanden niet gesproken, wilde hij wel toegeven dat er fouten waren gemaakt. Hij dacht dat het misschien mogelijk zou zijn om ooit van het bestaande materiaal een nieuwe film te maken. Met die gedachte troost ik mezelf, hoewel het nooit zal gebeuren.”

Hollywood is slecht voor je eigenwaarde, zegt Ellis. Mensen worden uitgebuit, ook seksueel. Dat laatste is een big thing hier, bezweert hij mij – zijn nieuwe roman, Imperial Bedrooms, die deze zomer verschijnt, gaat daarover. Ik moet denken aan wat Jamison Haase me vertelde: iedere jonge acteur of actrice wordt wel eens onder druk gezet met de belofte van een auditie of rol als beloning voor seksuele diensten. Je kans ligt voor het grijpen, je moet alleen… Het is ongelofelijk moeilijk daar weerstand aan te bieden, zegt Haase. Wanneer je iets zo graag wilt, wanneer je er zo hard voor gewerkt hebt... Maar het werkt niet, volgens hem. Ingaan op de avances van een producent of casting director levert je niets op. Maar dat verhindert niet dat zich telkens weer een nieuwe lichting aandient die zich laat onteren, het woord dat Ellis gebruikt.

Zeker, zegt hij, iedereen liegt hier. „In het begin denk je: ik kan niet geloven wat deze vent me probeert wijs te maken, want ik weet dat het niet waar is. Maar het is een code, een eigen taal. Die leer je snel genoeg. Iemand zegt iets, en je weet meteen dat hij het tegenovergestelde bedoelt.”

Zo’n veertien scenario’s schreef Ellis tot nu toe. Alles is in pre-production, zoals dat heet. Nog zo’n leugen, zegt hij, „want die films gaan niet gemaakt worden”. Toch kan het ineens zomaar gebeuren, zoals met The Informers, waarvan iedereen zei dat het er nooit van zou komen. Geluk speelt een grote rol. Een actrice kan zomaar ineens besluiten dat het echt iets voor haar is. Maar het vergt voortdurend offers. „In een van mijn scripts liet ik de heldin ontdekken wie de moordenaar was doordat ze een dode kat vindt. Wanneer ze dat beest vermoord aantreft beseft ze ineens hoe het zit – o my God, it’s him! Via mijn agent kreeg ik van de producent te horen hoe ik het in mijn hoofd haalde, een dode kat. Het bioscooppubliek is gek op katten! Geen actrice die een scène met een dode kat wil spelen! Daar leer je snel genoeg van. Mijn eigenzinnigheid bewaar ik voor mijn romans. Ik heb net de tweede versie afgerond voor een scenario voor Gus Van Sant, getiteld The Golden Suicides. Een project dat volgens alle betrokkenen kans van slagen heeft. Het gaat weliswaar over twee kunstenaars, wat eigenlijk niet kan in een Hollywoodfilm, die ook nog eens zelfmoord plegen. Maar de echte mensen op wie het verhaal gebaseerd is, waren echt lekker om te zien, dus er kunnen twee mooie hoofdrolspelers gecast worden.”

Blijft hij nog lang in Los Angeles, vraag ik wanneer ik even later bij de deur sta. Tijdens ons gesprek heeft hij niets positiefs over de stad gezegd. Ellis kijkt me met grote ogen aan, half gespeeld, half serieus. „I am trapped here. I have nowhere else to go.”

Aan het zwembad van The Standard, een strak, wit hotel gelegen aan het deel van de Sunset Boulevard dat The Strip wordt genoemd, liggen jongens en meisjes in de zon. Hun lichamen zijn natuurlijk gespierd en goudbruin. Ze praten wat, ze lezen wat, ze zoeken een nummer op hun iPod, rekken zich nog eens uit. Geen spoor van de stress die je aantreft bij mensen die hier langer zijn. Het moet de nieuwe lichting zijn. „Aantrekkelijk aan deze stad”, zegt Bruce Yonemoto, „dat je hier overal echt mooie mensen ziet”. Yonemoto, een Japanse Amerikaan van begin zestig, is meer beeldend kunstenaar dan filmmaker; in zijn werk, zoals in zijn speelfilm Made in Hollywood, ontleedt hij op een speelse manier het mythische geloof in succes en roem dat de stad in zijn greep houdt. Hij en zijn broer Norman, die een aantal jaren geleden een hersenbloeding heeft gekregen, maakten deel uit van de artistieke avant-garde die in de jaren zeventig met film experimenteerden. Tegenwoordig werkt hij alleen. Zijn vaak bekroonde werk is over de hele wereld te zien – maar in het kunstcircuit, in galeries. Voor de experimentele film is in Hollywood geen plaats meer, zegt hij. Niettemin is hij Los Angeles trouw gebleven, omdat hij de stad prikkelend vond. „Bovendien krijg ik bij het maken van mijn films veel hulp van mensen uit de industry. Die zijn de hele dag bezig rotzooi te maken en zijn blij iets te kunnen doen waar ze wel in kunnen geloven.” Maar de geest van de vernieuwing ontbreekt, zegt hij. Hij was laatst in Vietnam voor een expositie en daar trof hij meer energie en ambitie aan dan hij de laatste jaren hier tegenkomt. Hij denkt er zelfs over daar naartoe te verhuizen.

Nadat een lang zwart meisje met een enorm afrokapsel ons glazen wijn heeft gebracht, zeg ik dat ik iets niet snap. In tegenstelling tot wat je vaak hoort over de naïviteit van gelukszoekers in Hollywood, lijken me de meeste mensen die ik hier spreek uiterst realistisch. Vrijwel niemand schat zijn kansen hoog in. Natasia, het van oorsprong Filippijnse meisje dat ik die ochtend interviewde in Culver City, is vastbesloten producer te worden, maar trekt daar minstens tien jaar voor uit. Ze leek me eerder genadeloos ambitieus dan een dromer. De Nederlandse oud-soapacteur Roel Kyvelos, die me tijdens een afspraak in Santa Monica ironisch verslag deed van zijn ervaringen in een boot camp voor acteurs („de eerste casting director zei dat ik mijn accent moest houden, het was mijn selling point, de tweede zei dat ik er een Russisch accent van moest maken, van de derde moest ik het zo snel mogelijk kwijt zien te raken”), is zich er terdege van bewust dat hij een minieme kans heeft om hier door te breken. Jamison Haase realiseert zich iedere dag dat er tweehonderdduizend acteurs in Los Angeles rondlopen. Zelfs Britanny, de wezenloze serveerster in het westernrestaurant Saddler Ranch, die op iedere bestelling van mij reageert met „awesome!” en heel graag televisiepresentator wil worden, weet dat ze haar ambitie waarschijnlijk nooit zal waarmaken. Wat is de aantrekkingskracht van Los Angeles, wanneer je tevoren weet dat het je niet gaat lukken, dat je inspanningen niet beloond zullen worden?

Yonemoto moet lachen. „Ik was laatst voor de opening van een tentoonstelling van mijn werk in St. Louis. Ik wil niet lelijk doen, maar in die stad gebeurt helemaal niets. Hier mislukken is ongelofelijk opwindend.”

Op filmfora op internet wordt gescholden op de Chase Bank. Die adverteert in de stad voor haar geldautomaten met billboards over de gehele lengte van grote gebouwen met de slogan: ‘Almost as many ATM’s as unsold filmscripts.’ Het geloof in Hollywood verdraagt ironie, maar niet van buitenstaanders. „Toen ik het zag, ontplofte ik”, zegt Crickett Rumley, docente scenarioschrijven aan de New York Film Academy, die een dependance in Hollywood heeft. „Die slogan is niet in Los Angeles bedacht.”

Crickett, een van oorsprong New Yorkse met een ironische blik in haar grote, puilende ogen, geeft les omdat ze van het schrijven niet kon leven. „Een van de dirty little secrets van Hollywood is dat zoveel werk voor niets wordt gedaan. Wanneer je een babywriter bent, zoals dat hier heet, ben je tot alles bereid. Vaak levert de studio of de producent een idee, waar dan verschillende schrijvers op worden gezet. Alleen de schrijver van het winnende scenario krijgt betaald. Op een gegeven had ik zestien scenario’s waarvoor ik niks betaald kreeg. Voor ik hier kwam, werkte ik een tijdje voor de bekende scenarist William Goldman. Zorg dat je altijd iets hebt waar je op kunt terugvallen, zei hij altijd. Toen het maar niet opschoot, ben ik een roman voor jong volwassen gaan schrijven. Dat is door een uitgever geaccepteerd en komt binnenkort uit.” Ze schiet in een bittere lach. „Het zou ironisch zijn als dat boek verfilmd zou worden.”

Het gebouw van New York Film Academy bevindt zich op het terrein van Universal Studios. De studenten, afkomstig uit alle hoeken van de wereld, mogen op de bestaande sets hun eigen projecten realiseren. Ik krijg per auto een rondleiding van Brennan, een magere jongen met getatoeëerde armen, die zorgt voor de huisvesting van de studenten, maar eigenlijk regisseur wil worden. Zijn stopwoord is definitely. Hij laat me de set van Desperate Housewives zien, rijen keurige buitenwijkhuizen die van binnen volkomen hol zijn. We rijden langs de nagebouwde pittoreske straatjes voor films die in ‘Europa’ spelen. Ik zie een scheef gebouwtje met ‘Maison du Vin’ op de gevel en een dorpsplein. Er wordt gebouwd aan een huizenrijtje voor een straatscène in de film Knight and Day, met Cameron Diaz en Tom Cruise. Het moet om reshoots gaan, zegt Brennan beslist, de reguliere opnames zijn allang achter de rug. Verderop, op de permanente westernset, zie ik hoe een groepje Aziatische studenten van de academie aarzelend met camera’s in de weer zijn voor de klapdeuren van een verlaten saloon.

De avond in de Playboy Mansion loopt ten einde. Hefner heeft afscheid van ons genomen en zich teruggetrokken op de bovenverdieping. Patricia geeft me een rondleiding over het terrein achter het huis. Het is donker en het regent. Op het gazon komen we de huispauw tegen. Patricia laat me de kooien met aapjes en vogels zien, de kleine begraafplaats waar de gestorven huisdieren van Hefner rusten onder plaquettes. Ook de befaamde gameroom, met zijn flipperkasten en videospelletjes en in rood licht gedompelde „relaxruimte”, ademt een andere tijd. Patricia vraagt zich af wat er met dit alles gaat gebeuren wanneer Hef er niet meer is.

Wanneer het even later begint te plenzen en we de befaamde grotto inrennen om te schuilen, stuiten we op vier jonge naakte meisjes. Ze zitten bevallig in en op de rand van het bubbelbad. Ze begroeten ons met hoge stemmetjes, roepen dat ze het enorm naar hun zin hebben, hun perfect gemodelleerde lichamen hard en onwerkelijk in het blauwe schijnsel van de grot. Ze zijn klaar om bekeken en bewonderd, gefotografeerd en gefilmd te worden.