Geen aandacht voor treinneuzen? Integendeel

De heer Huiberts schrijft in zijn brief over Europese normen voor treinneuzen (Opinie & Debat, 27 februari), dat er voor het beperken van de schade aan personen, het rollend materieel en de directe omgeving bij botsingen en ontsporingen tot nu toe geen aandacht is. Niets is minder waar. De uitvoering van de kopeinden van het rollend spoorwegmaterieel is al vele tientallen jaren onderwerp van diepgaand onderzoek, waaraan bij elk nieuw te ontwerpen materieel grote aandacht wordt besteed, zowel door de spoorwegmaatschappijen als door de leveranciers en de toezichthoudende instanties van de nationale overheden.

Huiberts’ vergelijking met wegvoertuigen is bovendien niet relevant, omdat het spoorwegmaterieel een veel grotere massa heeft dan personenauto’s en kleine bedrijfswagens. En als zo’n relatief licht wegvoertuig in botsing komt met een bedrijfswagen (vrachtauto’s en/of autobussen) dan is helaas meestal de schade aan personen en materieel groot en bovendien vaak fataal.

Ook de suggestie in zijn bericht over de asymmetrische treinneuzen, die bij een botsing tot het ontsporen van het rollend materieel zou leiden, is een onzinnige gedachte, omdat het ‘uit het spoor drukken’ van het rollend materieel een onvoorspelbaar verloop zal hebben door het verschil in de massa van het rollend materieel en vooral ook door de plaatselijke situatie. Daar komt dan nog bij dat als zo’n ontsporing op een dubbelsporig traject zou plaatsvinden, er nog een kans is dat een in de andere richting rijdende trein op de ontspoorde trein rijdt, met alle gevolgen van dien.

Ir. F. Oudendal

Oud-hoofdingenieur van Werkspoor NV, Amsterdam en Utrecht