Democratie toen

Het was een prachtige dag geweest, die 25ste juni 1952. En nu, in de windstille zomeravond, wachtte het volk op de uitslagen van de verkiezingen voor de Tweede Kamer. Televisie was er nog vrijwel niet, je had wel het nieuws op de radio, maar met zulk mooi weer bleef je niet thuis zitten. Als Amsterdammer beleefde je de apotheose van het feest van de democratie op de Nieuwezijds Voorburgwal. Daar waren alle grote kranten gevestigd: De Telegraaf met Trouw en Het Parool in hetzelfde gebouw. Dan op steenworp afstand de Volkskrant die toen nog tot de moederkerk hoorde. Op de hoek van de Paleisstraat het Algemeen Handelsblad, daartegenover de bijkantoren van de NRC en het Algemeen Dagblad en wat verderop richting Centraal Station De Tijd en nog veel verder Het Vrije Volk aan het Hekelveld. Ook toen al waren er mensen die de Voorburgwal de Fleet Street van Amsterdam noemden. Zo was het niet. Fleet Street was de Voorburgwal van Londen. Dit terzijde.

Al deze kranten hadden voor de gelegenheid aan de gevel grote borden gehangen waarop de uitslagen werden bijgehouden. Nederland was wel verzuild maar daarvan viel op deze avond niet veel te merken. Op die ruimte, niet groter dan de Dam, stonden de kiezers van alle richtingen en gezindten min of meer door elkaar. Het hoogste concentraat progressieve katholieken stond voor de Volkskrant. Hun gebied grensde aan dat van De Telegraaf waar protestanten, socialisten, conservatief-liberalen en ook toen al de permanent ontevredenen naar dezelfde borden keken. Af en toe reed er langzaam en voorzichtig een tram door deze democratische menigte. En ik kan het niet laten er nog eens melding van te maken. Lijn 2 had toen een bijwagen met achterin een ruimte voor de rokers. Een kaartje kostte 11 cent. Files en parkeermeters waren er nog niet. Vader Willem Drees waakte over het land. Dat deed hij goed. Op die dag kreeg de Partij van de Arbeid er drie zetels bij, groeide tot dertig.

Wat een vredige tijd, zult u misschien zeggen. Op straat wel. Niemand kwam op het idee, een conducteur, een ziekenbroeder, een agent in zijn gezicht te spugen; voetbalsupporters gingen niet massaal met elkaar vechten. Wie op de stoep fietste of op een verboden grasveldje liep, kreeg meteen een bekeuring. Vier jaar eerder had de natie haar oorlog tegen Indonesië verloren, er was geen rampspoed geboren. Integendeel, de natie was daarna overgegaan tot de orde van de dag, praktisch alsof er niets was gebeurd en met de wederopbouw ging het uitstekend.

Toch broeide er ook toen al iets. In 1951 was de roman Ik heb altijd gelijk van W.F. Hermans verschenen. Daarin had hij het katholieke volksdeel beledigd. Er kwam een proces, hij werd vrijgesproken. Op 1 maart van dat jaar was er de berucht geworden Podiumavond in het Stedelijk Museum geweest. Daar had Lucebert zijn nog altijd actuele gedicht over de minister-president voorgelezen. Met plechtige stem declameerde hij: ‘De minister-president is een kanon. Piep piep piep.’ Verontwaardigd verlieten de letterlievenden uit Amsterdam-Zuid de zaal. Allemaal meer dan tien jaar voor Provo en het grote rumoer van de studenten, het Maagdenhuis, enz.

Maar nu hebben we het over 1952. Vier jaar eerder was met de communistische staatsgreep in Praag de Koude Oorlog begonnen. Bij de eerste verkiezingen van na de oorlog had de CPN 10 procent gekregen. Na Praag waren onze communisten in de verdediging geraakt, wat hun gestaalde kaders tot extra inspanning aanzette. Op de avond van deze verkiezingsdag raakte ik op de hoek van de Voorburgwal en de Paleisstraat betrokken bij een heftig discussiërend groepje. Het gesprek werd beheerst door een overtuigde communiste van middelbare leeftijd. ‘Maar vadertje Stalin heeft gezegd...’, riep ze. Een wolkje speekseldruppeltjes verliet haar mond. De stralen van de ondergaande zon maakten in dit wolkje even een klein regenboogje. Onvergetelijk.