De boze autist

Er bestaat een vreemde trend om autisme in verband te brengen met criminele gedragingen.

Een jonge orthopedagoge wordt kort nadat ze van haar van thuis meegenomen broodje heeft gegeten ernstig ziek. Ze wordt naar het ziekenhuis gebracht, waar ze in aanwezigheid van haar vriend en ouders binnen enkele uren overlijdt. De doodsoorzaak blijft in eerste instantie onbekend. Later rijst het vermoeden dat ze is vergiftigd. Haar vriend, de 27-jarige chemicus Bart S., wordt gearresteerd en bekent dat hij de uiterst toxische stoffen theobromide en natriumazide door de pindakaas had gemengd waarmee hij haar twaalfuurtje had gesmeerd.

Bij de rechtszaak over wat ‘de pindakaasmoord’ kwam te heten rapporteerden een forensisch neuropsycholoog en een forensisch psychiater over de verdachte. De eerste concludeerde tot PDD-NOS, de tweede tot het syndroom van Asperger. Beide diagnoses behoren tot het autismespectrum. De verdachte zou zich in de relatie bedreigd hebben gevoeld door de sterke kinderwens van de vrouw. Door zijn onvermogen hier met haar over te praten was de spanning bij hem steeds verder opgelopen. Uiteindelijk zag hij geen andere uitweg dan haar om het leven te brengen. De stoornis zou met zich meebrengen dat hij, eenmaal denkend langs deze lijnen, geen alternatieven kon overwegen. Beide deskundigen vreesden dat het in een identieke situatie met een nieuwe partner tot een vergelijkbare ‘oplossing’ kon komen. Ze adviseerden hem sterk verminderd toerekeningsvatbaar te verklaren.

Het vonnis stelde dat ‘zijn zwijgende aanwezigheid bij het slachtoffer en haar ouders in de laatste uren voor haar overlijden de gevoelens van onbegrip en oninvoelbaarheid over het bewezenverklaarde handelen van verdachte vergroten’. Gezien de onomkeerbaarheid van de autismestoornis en het risico op recidive werd S. veroordeeld tot zes jaar gevangenisstraf, gevolgd door tbs met dwangverpleging. (Details zijn te vinden op de door het ministerie van Justitie beheerde site www.rechtspraak.nl, onder LJ-nummer AO3471).

CONTRAST

Anders dan in de Engelstalige forensisch-psychiatrische literatuur is er in de Nederlandse literatuur niet veel te vinden over een mogelijk verband tussen autisme en crimineel gedrag. Dat is een merkwaardig contrast met de praktijk, want vanaf 2004 zijn ook in ons land tal van veroordelingen uitgesproken waarbij deskundigen op grond van een autismestoornis hebben geadviseerd de verdachte verminderd of in het geheel niet toerekeningsvatbaar te verklaren. In de meeste gevallen hebben rechters dit advies gevolgd en tbs opgelegd, al dan niet in combinatie met gevangenisstraf. Dit betrof zeker negen veroordelingen wegens moord met voorbedachten rade, zeven veroordelingen wegens doodslag en vijf wegens poging tot moord. Ook wegens ontucht, kinderporno, stalken en brandstichting zijn veroordelingen uitgesproken waarbij rechters op advies van deskundigen rekening hebben gehouden met een autismestoornis. Tegenover deze delicten, moet direct worden opgemerkt, staat een heel scala aan misdrijven waarin mensen met autisme nagenoeg afwezig zijn, zoals chantage, fraude, heling of inbraak.

Wie schrijft over mogelijke verbanden tussen autisme en delinquent gedrag moet beseffen dat dit mensen onder verdenking plaatst die zich toch al vaak slecht begrepen voelen en in veel gevallen in hun jeugd pesterijen hebben ondergaan. Bovendien suggereert recent onderzoek waarin gebruik is gemaakt van controlegroepen dat mensen met autisme ondervertegenwoordigd zijn in misdaadstatistieken. De met autisme verbonden sterke behoefte aan duidelijke regels zou juist tot uitdrukking komen in respect voor de wet.

STALKEN

Er zijn twee argumenten om toch aandacht te besteden aan forensische aspecten van autisme. Het ene is dat het ook bij een algemene ondervertegenwoordiging nog steeds mogelijk is dat eigenschappen die met de stoornis hebben te maken bij bepaalde delicten wel een rol spelen. Dat lijkt onder meer het geval bij stalken.

Het tweede argument is dat de samenhang tussen autisme en delinquent gedrag als sociale realiteit al een gegeven is. Advocaten voeren het als verweer (‘the geek defense’) of verwerpen het (zoals bij de moordenaar van Louis Sévèke). Forensisch psychiaters presenteren autisme als grond voor verminderde toerekeningsvatbaarheid en rechters hebben deze adviezen betrokken in hun vonnissen. Ook als er gerede twijfel zou zijn of er werkelijk verband is tussen autisme en delinquent gedrag, dan nog zou de overtuiging bij de partijen in het strafrecht dat die relatie bestaat al voldoende reden zijn om deze nader te onderzoeken.

De forensische literatuur over autisme en delinquent gedrag heeft onmiskenbaar een casuïstische inslag en daarin laat zich een vertekening in de richting van de meer spectaculaire gevallen vermoeden. De Amerikaanse psychiater Arturo Silva wees in 2002 op een waarschijnlijke Aspergerdiagnose bij de seriemoordenaar Jeffrey Dahmer. Een jaar later deed hij hetzelfde bij Theodore Kaczynski (de Unabomber). Recent liet hij in een interview weten dat Seung Hui Cho, die in april 2007 op Virginia Tech 32 mensen doodschoot en daarna zelfmoord pleegde, waarschijnlijk een hoogfunctionerende autist was. In geen van deze gevallen had Silva kennis uit de eerste hand over de daders en de diagnoses op afstand (Kaczynski) of postuum (Dahmer, Cho) ogen clichématig: Dahmer maakte als kind al slecht oogcontact, had een stijf loopje en was sociaal onhandig, Kaczynski was gepromoveerd in de wiskunde, gefascineerd door technologie en had een hekel aan lawaai. Daartegenover staan tientallen artikelen waarin zo zorgvuldig mogelijk individuele gevallen worden geanalyseerd met behulp van persoonlijke documenten, interviews en observaties.

Maar een optocht van gevalsstudies, hoe lang ook, bewijst nog niets over een mogelijk verband tussen autisme en delinquent gedrag. In een meta-analyse van de Engelstalige literatuur die tussen 1944 en 1990 is verschenen, werden 132 gevallen met een diagnose uit het autismespectrum verzameld. Slechts drie patiënten (2,27 procent) hadden een geschiedenis van gewelddadig gedrag. In de leeftijdscategorie 16-24 jaar bedroeg in de VS (1987) de base rate voor veroordelingen wegens geweldsmisdrijven rond de 7 procent.

ASPERGER Studies die de relatie tussen autisme en delinquent gedrag op populatieniveau onderzoeken zijn relatief zeldzaam. In 1994 werd de gehele mannelijke populatie (n = 392) van het Broadmoor Hospital, een van de grootste tbs-klinieken in Engeland, doorgelicht op mogelijke Apergerdiagnoses. De volgens de onderzoekers zes ‘zekere’ patiënten met Asperger vertegenwoordigden een prevalentie van 1,5 procent. Afgezet tegen de toenmalige prevalentiecijfers voor het syndroom van Asperger was dit nog een lichte oververtegenwoordiging, tegen de achtergrond van de huidige cijfers eerder een ondervertegenwoordiging.

Een vergelijkbare studie is uitgevoerd in Zweden. Hierin werden 214 personen die tussen 1997 en 2001 wegens brandstichting een forensisch-psychiatrisch onderzoek hadden ondergaan vergeleken met een controlegroep van personen die ditzelfde onderzoek wegens geweldsdelicten moesten ondergaan. Onder de brandstichters werd een oververtegenwoordiging van mensen met een Aspergerdiagnose gevonden. Het curieuze is dat in niet-Scandinavische studies juist een ondervertegenwoordiging wordt gevonden. Ook onderzoek van www.rechtspraak.nl met de combinatie brandstichting-autisme levert een duidelijke ondervertegenwoordiging op.

In een Deens onderzoek uit 2007 werden 313 personen die tussen 1960 en 1984 een diagnose uit het autismespectrum hadden gekregen vergeleken met een controlegroep, die was gematcht voor sekse, leeftijd, geboorteregio en sociale klasse. Van de 113 personen met een diagnose van ‘klassiek autisme’ had slechts één man een veroordeling (wegens geweldpleging) op zijn naam, tegenover 64 uit de controlegroep. Ook in de PDD-NOS-groep lag het aantal veroordelingen significant lager. In de groep Aspergerdiagnoses was het aantal veroordelingen gelijk. Het enige delict dat in de Aspergergroep een significant verschil opleverde was brandstichting: vijf veroordelingen tegenover geen enkele in de controlegroep. En over respect voor de wet gesproken: van de 86 personen in de PDD-NOS-groep was in al die jaren slechts één persoon beboet wegens een verkeersovertreding, tegenover 29 personen in de controlegroep (n = 252).

PREVALENTIE

Met de uitzondering van brandstichting – en zelfs dat staat dus nog te bezien – suggereren meta-analyses en populatiestudies een opvallende ondervertegenwoordiging van mensen met autisme in misdaadstatistieken. Die ondervertegenwoordiging zal zich scherper aftekenen naarmate de schattingen van de prevalentie van autisme hoger worden. Maar dat betekent niet dat er geen delicten of typen van delicten zijn waarbij er toch een relatie met de stoornis is.

Zo signaleren de Britse psychiaters Stokes en collega’s een verhoogd risico om wegens stalking of belaging met justitie in aanraking te komen. Zij onderzochten de wijze waarop 25 autistische adolescenten en volwassenen romantische betrekkingen probeerden aan te knopen door hun pogingen te vergelijken met die van niet-autistische leeftijdgenoten. De autistische jongeren gingen veel minder vaak te rade bij vrienden of leeftijdgenoten om te horen hoe ze dit zouden kunnen aanpakken. Hun pogingen werden vaker als ongepast opgevat en richtten zich ook frequenter op beroemdheden, volkomen vreemden, collega’s of ex-partners. Zij hadden de neiging signalen van afwijzing te negeren of helemaal niet op te merken en hun toenaderingspogingen te lang door te zetten. Gedrag als dit loopt het risico opgevat te worden als belaging.

Ook bij ontuchtzaken kunnen dit soort factoren een rol spelen. In de zomer van 2006 werd een 24-jarige man gearresteerd op beschuldiging van ontucht met minderjarigen. Hij zou bij zeven jongens tussen de tien en vijftien jaar de penis hebben betast. Verschillende jongens werden het slachtoffer tijdens een partijtje honkbal. De verdachte gooide de bal hard tegen hun geslachtsdelen en trok daarna hun broekje naar voren om de pijn weg te masseren. Andere jongens werden betast nadat ze erin hadden toegestemd om door verdachte gemasseerd te worden: hij had hun verteld dat hij ervaring moest opdoen voor zijn opleiding tot sportmasseur. Op zijn computer stond kinderporno.

PEDOFILIE Na observatie in het Pieter Baan Centrum (PBC) concludeerden een forensisch psychiater en een psycholoog dat de verdachte lijdt aan het syndroom van Asperger. Dit zou tot uiting komen ‘in een onvermogen leeftijdsadequate relaties te ontwikkelen, in beperkingen in het gebruik van non-verbaal gedrag (zoals gelaatsuitdrukkingen) en in een gebrekkige sociale wederkerigheid.’ Er zou ook sprake zijn van ‘pedofilie van het niet-exclusieve type’, gericht op de leeftijd van tien tot twaalf jaar. Ze adviseerden hem verminderd toerekeningsvatbaar te verklaren. De rechtbank veroordeelde hem tot twintig maanden gevangenisstraf en tbs met als voorwaarde dat hij zich liet opnemen in een forensisch-psychiatrische kliniek. (www.rechtspraak.nl, LJN: BB0292)

SEKSUELE FRUSTRATIE Sinds 2004 is in nog zeker tien andere gevallen van ontucht met minderjarigen verband gelegd met een autismestoornis. In al deze zaken werd verminderde toerekeningsvatbaarheid geadviseerd en volgden gecombineerde vonnissen van gevangenisstraf en tbs, verplichte behandeling of toezicht van de reclassering. Er zijn ook verschillende gevalsstudies gepubliceerd die een verband suggereren tussen autisme en seksuele delicten, al dan niet van pedofiele aard. De argumentatie is telkens dat de patiënt de sociale instrumenten mist om normale romantische betrekkingen aan te gaan, sociale signalen van mogelijke partners verkeerd interpreteert en bij oplopende seksuele frustratie door gebrek aan empathie geen inzicht heeft in de ongepastheid van zijn toenaderingspogingen of de consequenties daarvan voor de slachtoffers. In combinatie met een pedoseksuele oriëntatie zou dit leiden tot ontucht met minderjarigen.

De in dit stuk genoemde rechtszaken zijn ontleend aan www.rechtspraak.nl. Opvallend is dat deze site al operationeel is sinds 1999, maar dat de eerste treffer met een zoekterm uit het autismespectrum van 2003 dateert. Dit betrof het hoger beroep van de moord op Pim Fortuyn. Hierin hadden een niet bij deze zaak betrokken forensisch psycholoog en een kinderpsychiater in de media geopperd dat Volkert van der G. zou lijden aan het syndroom van Asperger. Het gerechtshof heeft hen gehoord, maar in het vonnis de deskundigen van het PBC gevolgd, die zeiden deze diagnose uit te sluiten. In 2004 verschijnen ook in de rapportages van aan het PBC verbonden psychologen en psychiaters de eerste diagnoses uit het autismespectrum en sindsdien neemt de frequentie daarvan snel toe. Het lijkt erop dat autisme pas in 2004 als diagnose met forensisch potentieel op het repertoire van psychologen en psychiaters verscheen, maar nu dan ook aan een snelle opmars bezig is. Daar moeten een paar kritische kanttekeningen bij gemaakt worden.

BRANDSTICHTING Juist het toenemende aantal rechtszaken waarin forensische rapportage verband legt tussen een delict en autisme onderstreept wat in de literatuur over dit verband al langer zichtbaar is: een apert gebrek aan specificiteit. De stoornis wordt aan een hele reeks onderling zeer uiteenlopende misdrijven verbonden en zelfs binnen een specifiek delict als brandstichting wordt een grote variatie aan mogelijke causale relaties gepresenteerd. Dit gebrek aan specificiteit is er ook op het niveau van de concrete pathologie die ten grondslag zou liggen aan het delict. In de motivering van de causale relatie tussen stoornis en delict figureren telkens ‘tekortschietende sociale vaardigheden’, ‘afwezigheid van empathie’, ‘gebrek aan emotionele wederkerigheid’ en andere vaak rechtstreeks aan de DSM ontleende formuleringen. De verklarende waarde daarvan kan niet groot zijn als mensen met een autismestoornis juist ondervertegenwoordigd zijn in misdaadstatistieken.

Een tweede voorbehoud is dat juist bij ernstige delicten het autisme vaak gepaard gaat met andere stoornissen. In een meta-analyse uit 2008 van mannen met het syndroom van Asperger die zich schuldig hadden gemaakt aan een ernstig geweldsmisdrijf bleek dat slechts in zes van de 37 gevallen géén nevenstoornis was aan te wijzen. Een andere meta-analyse concludeerde dat de bijkomende stoornis op zichzelf al causaal verantwoordelijk voor het delict zou kunnen zijn. In de op www.rechtspraak.nl gepubliceerde zaken van de afgelopen zes jaar zijn onder meer pedofilie, narcisme, paranoïde wanen, prefrontaal hersenletsel en antisociale persoonlijkheid als nevenstoornissen gediagnosticeerd. Uit de gesuggereerde associaties zou je de autismestoornis kunnen verwijderen zonder de causale relatie met het delict aan te tasten. Het betasten van de geslachtsdelen van minderjarige jongens door de sportmasseur in opleiding zou tien jaar geleden waarschijnlijk nog aan zijn pedofiele stoornis alléén zijn toegeschreven.

OPVOEDING Een derde voorbehoud is dat de positionering op een autismespectrum een grote mate van speling biedt en dat aan de milde zijde ervan de kans op foutieve diagnostiek reëel is. In lang niet alle gevallen was de diagnose al vóór het delict gesteld en lijkt het delict zelf te zijn opgevat als aanwijzing voor de autismestoornis. De diagnostiek maakt ook niet altijd een even zorgvuldige indruk. In de zaak van een man die werd veroordeeld wegens doodslag schreven twee deskundigen dat de verdachte lijdt aan een ‘stoornis uit het autistisch spectrum met Asperger kenmerken’ en dat deze stoornis zich had ‘ontwikkeld als gevolg van de onveilige, ongeborgen en grensoverschrijdende opvoeding die hij heeft gehad.’ (LJN: AT9783) Dit laatste is echt een achterhaald perspectief op het ontstaan van autisme. In de zaak van een verdachte die werd veroordeeld wegens doodslag op de man die hem in zijn jeugd seksueel zou hebben misbruikt, diagnosticeerden een forensisch psychiater en een forensisch psycholoog van het PBC het syndroom van Asperger, terwijl ze zijn intelligentie beschreven als ‘zwakbegaafd tot benedengemiddeld’ (LJN: BA8480). In de DSM en alle overige diagnostische handleidingen sluit achterblijvende cognitieve ontwikkeling de diagnose Asperger uit.

HANDLANGER De redenen waarom mensen met een autismestoornis met justitie in aanraking kunnen komen, zijn op te vatten als risicofactoren, die in 2008 door de psychiater Allen en collega’s in een bedaarde formulering zijn samengevat: ‘Mensen met het syndroom lopen een grotere kans sociaal verkeerd begrepen te worden, kunnen vaak hun impulsen slecht beheersen, ontberen empathie en sociaal begrip, zijn geneigd hun bijzondere interesses obsessief te volgen, hebben een pover begrip van de consequenties van hun gedrag, houden zich rigide aan regels en zijn door hun onvermogen sociale verhoudingen te doorzien kwetsbaar voor mensen die hen proberen in te zetten als handlanger bij criminele activiteiten.’ Gevalsstudies kunnen inzicht geven in wat er soms mis gaat in de complexe interacties tussen belastende factoren en de sociale omgeving waarin mensen met autisme proberen te functioneren. Tegelijkertijd introduceren ze het risico dat mensen met een autismestoornis als potentieel gewelddadig worden gestereotypeerd, zeker als die gevalsstudies gericht zijn op ernstige of spectaculaire delicten en om die reden weer meer kans maken aandacht van de media te trekken.

Dit is de verkorte versie van een hoofdstuk uit Reizen met mijn Rechter. Psychologie van het recht , red. Peter J. van Koppen e.a. (Deventer: Kluwer) dat op maart verschijnt.