Clichés

Het is zoals het is, zo gaan die dingen en je doet er niets aan – want waar gewerkt wordt, maakt men fouten (vergissen is immers menselijk) en uiteindelijk zijn we allemáál mensen, dus het kan zelfs de beste overkomen – en ook al zijn er belangrijkere dingen in de wereld (sport is maar sport), het is natuurlijk toch een persóónlijk drama, vooral voor zo’n jongen zelf, dus ga je je afvragen: hoe kán zoiets gebeuren – maar goed: wat gebeurd is, is gebeurd (en wat gebeurd is, kan je nu eenmaal niet meer terugdraaien), dus zul je de realiteit onder ogen moeten zien en de draad weer moeten oppakken, want het leven gaat door en je zal toch verder moeten, ook al koop je er niks voor.

En dat dan vijf dagen lang.

Lag het aan mij of bespeurde u ook een significante toename van clichés, dooddoeners en open deuren de laatste tijd? Ik dacht eerst dat het alleen door de Olympische Spelen kwam, want ja: Mart, Ria en Bart hadden nogal wat uurtjes zendtijd te vullen natuurlijk. Maar het bleek een besmettelijke variant van gemeenplaatseritis.

Plots zag ik overal politici verschijnen die in deze „moeilijke tijden” met een „eerlijk verhaal naar de kiezer toe” kwamen uitleggen dat ze nooit voor hun „verantwoordelijkheid zouden weglopen”. Op de verkiezingsposter van de PvdA las ik de slogan: ‘Iedereen telt mee’ (wat een curieus effect sorteerde, want ik voelde mij als blanke, hoogopgeleide autochtoon opeens heel erg buitengesloten). D66 hield het gewoon maar op: ‘Anders. Ja.’

Toch ging de gouden medaille wederom naar Jan Peter Balkenende, die Clairy Polak in Buitenhof een uur lang trakteerde op een onnavolgbare demonstratie Hoe Zeg Je Zo Min Mogelijk Met Zo Veel Mogelijk Woorden. De enige onthulling met nieuwswaarde was zijn antwoord op de vraag waarom hij ooit de politiek in was gegaan. „Om het land stérker te maken”, zei hij.

Die zag ik niet aankomen.

In zijn boek De tirannie van het cliché (1982) definieert de socioloog Anton Zijderveld een cliché als een „een traditionele vorm van menselijke expressie […], welke tengevolge van het feit dat het in het maatschappelijk leven steeds weer wordt gebruikt, zijn oorspronkelijke, vaak ingenieuze betekeniskracht heeft verloren”. Onmiddellijk vroeg ik mij af: waarom zouden politici woorden willen gebruiken die hun betekeniskracht zijn kwijtgeraakt? Omdat de betekenis is vervangen door een functie, zegt Zijderveld, namelijk: het publiek in staat stellen „reflectieloos te consumeren en te verteren”.

Dat geeft te denken.