Bij 'nee' moeilijker Icesave-compromis

IJsland zal dit weekeinde stemmen over het wetsvoorstel om Groot-Brittannië en Nederland te compenseren voor het te hulp schieten van rekeninghouders van de failliet gegane IJslandse bank Landsbanki. Omdat een kwart van de bevolking een petitie heeft ondertekend, waarin de president werd gevraagd de wet tegen te houden, mag er veiligheidshalve van worden uitgegaan dat de uitslag ‘nee’ zal luiden.

De gevolgen van een ‘nee’ kunnen ernstig zijn voor het land met 300.000 inwoners. Het steunpakket van 4,75 miljard dollar van het Internationale Monetaire Fonds kan erdoor in gevaar worden gebracht. Het IMF zegt dat er geen verband mag worden gelegd met de uitkomst van het referendum, maar de Scandinavische landen, die 2,5 miljard dollar op tafel leggen, zullen zich misschien minder inschikkelijk tonen. Uitstel van de financiële hulp kan leiden tot een neerwaartse bijstelling van de kredietwaardigheid van de IJslandse staatsobligaties naar de ‘junk’-status, aldus Moody’s. En als het land niet genoeg fondsen kan binnenhalen om in 2011 1,3 miljard euro aan schulden terug te betalen, kan het zelfs bankroet gaan.

Maar ook als het referendum uitpakt zoals verwacht, is een overeenkomst met Groot-Brittannië en Nederland nog steeds mogelijk. Nadat de IJslandse president begin dit jaar weigerde het wetsvoorstel te ondertekenen, zijn beide landen opnieuw met Reykjavik gaan onderhandelen.

Een akkoord blijft twijfelachtig, maar beide partijen naderen elkaar wel. In het voorstel waarover de IJslanders stemmen, moet het land een vaste rente betalen van 5,55 procent op 3,8 miljard euro aan schulden, waarbij de terugbetaling in 2016 van start zou gaan. Maar Groot-Brittannië en Nederland hebben sindsdien een rente van 2,75 procent bovenop de interbancaire rente geboden, met een aflossingspauze van twee jaar.

Dat was nog steeds niet goed genoeg voor IJsland. Het land eist een vaste rente van 2,5 procent met een aflossingspauze van drie jaar. Gezien het feit dat de interbancaire rente in Engeland en Europa momenteel zo’n 0,6 procent bedraagt, is het verschil tussen de twee voorstellen minder dan één procentpunt. Dat lijkt niet onoverkomelijk.

Een ‘nee’-stem hoeft de gesprekken dus niet te laten vastlopen. Maar het gevaar dreigt dat de publieke opinie in IJsland door het referendum verhardt, waardoor het moeilijker wordt een compromis te bereiken. Als de regering van IJsland een nieuw voorstel door het parlement en langs de president wil krijgen, zal zij moeten aantonen naar de kiezers te hebben geluisterd en het hard te hebben gespeeld.

Niettemin is een overeenkomst in het belang van IJsland en zijn crediteuren. Eén enkel procentpunt zou dat niet in de weg mogen staan.

Nicholas Paisner