Alledaags Bagdad

Dit bericht stond afgelopen maandag in NRC Handelsblad. Krijgen Iraakse burgers aandacht in de internationale media, dan vooral als dodelijk slachtoffer. Precies zeven jaar na de Amerikaanse-Britse invasie is Irak nog verre van een democratische rechtsstaat. Fotograaf Dirk-Jan Visser vroeg zich af hoe Iraakse burgers leven onder de permanente dreiging van geweld. Onlangs bracht hij een week door in Bagdad. Hij trok op met een jongen uit een kindertehuis, een politieman en een weduwe. ‘De toekomst ziet er goed uit.’ Maar ook: ‘Mijn vader heeft mijn broer vermoord.’

Zondag 7 maart kiezen de Irakezen een nieuw parlement. De verkiezingsdag is met de grootst mogelijke veiligheidsmaatregelen omgeven.

‘Ik ben Ahmed Hassan Abdel Sahra. Ik woon in de wijk Zaffaraniya in Bagdad. Ik ben 24 jaar en ik werk bij de rivierpolitie als stuurman en boordschutter op een patrouilleboot. Ik woon met mijn vrouw en kinderen bij mijn oom in huis, we hebben er onze eigen plek met ons gezin. We zijn tevreden, we leven immers.

Dit werk is mijn roeping. Vanaf het moment dat ik gehoor gaf aan die roeping werd ik rustig. Als ik klaar ben na mijn dienst ’s avonds ga ik met een voldaan gevoel naar huis.

Ja, ik heb mensen verloren, ze zijn vermoord of gevlucht. Ik heb hier geen vrienden meer, ze zijn vertrokken vanaf het moment dat mensen onzin begonnen te praten en het sektarische geweld onderling begon. Als God het wil, komen ze terug. Als de situatie in ons land verbetert, komen ze misschien terug.

Vanaf het moment dat ik politieagent ben geworden, ben ik niet meer bang. Met Gods hulp zullen wij dit land met eigen handen opbouwen.’

‘Ik ben Hayder Hamid Jabbar en ik ben tien jaar oud. Mijn vader heeft mijn broer vermoord. Hij heeft hem begraven in de keuken, de plek waar wij koken. Wij konden er niet tegen, we waren klein.

Sindsdien wonen we niet meer bij hem. Toen zijn de problemen voor ons begonnen. Mijn moeder is gescheiden van mijn vader en kort daarna wilde ze ons ook niet meer.

Hier in het kindertehuis vind ik het leuk mijn kamer op te ruimen. Ik zorg dat de kasten netjes zijn en veeg de kamer.

Er is maar één ding waar ik verdrietig om ben: het feit dat mijn vader en moeder mij niet willen.’

‘Ik ben Nahla Ali, 29 jaar oud. Ik studeer kinderpsychologie aan de Ibn Rushd faculteit. Ik zat altijd thuis totdat mijn man overleed. Ik belde die dag naar zijn mobiel om te kijken of het goed met hem ging. Ik kreeg een politieagent aan de lijn. Hij vroeg: wie bent u? Ik zei: ik ben zijn vrouw, en u? Hij: ik ben van de politie, ze hebben uw man vermoord. U moet naar het Yarmuk ziekenhuis om zijn lijk op te halen. Ik geloofde het eerst niet. „Maak alsjeblieft geen grapjes, geef hem aan de lijn.” Toen stortte ik in. Ik was op dat moment een maand in verwachting van ons tweede kind, Hamza. Pas op de derde dag van de rouwperiode kwam ik daar achter.

In het begin zag ik erg op tegen het combineren van een masterstudie met het opvoeden van de kinderen, maar mijn moeder zei: meld je eerst aan en we zien wel. Dat heb ik gedaan en ik werd toegelaten. Ik ben nog nooit zo blij geweest.

De toekomst ziet er goed uit, ik ben optimistisch. Als ik klaar ben met de studie wil ik meteen promoveren. Als God het wil, krijg ik een aanstelling en word ik docente aan de universiteit.’

Op nrc.nl/weekblad: drie webreportages van fotograaf Dirk-Jan Visser en Esmeralda van Boon (tekst)

›Op nrc.nl/weekblad: drie webreportages van fotograaf Dirk-Jan Visser.Tekst Esmeralda van Boon