Weinig veelwijverij bij de mens, blijkt uit DNA

In de recente evolutie van de moderne mens (Homo sapiens) hadden vrouwen meer kans om zich voort te planten dan mannen, maar het verschil is niet groot. Onder de menselijke voorouders zijn er op iedere honderd mannen ongeveer 110 tot 140 vrouwen. In de laatste 200.000 jaar stierven dus meer mannen dan vrouwen zonder nageslacht. Het getal van 110 tot 140 vrouwen is echter geen groot verschil. En dat betekent dat er bij de mens nooit grootschalige veelwijverij heeft bestaan, want dan zouden die verhoudingen veel extremer zijn. Dit schrijven Canadese genetici in een artikel in het American Journal of Human Genetics (12 maart). Zij analyseerden het verschil in recombinatie tussen de X- en de andere chromosomen.

Hun conclusies zijn een bevestiging van de vanouds gangbare opvatting onder antropologen dat monogamie in menselijke samenlevingen de regel is en polygamie (veelwijverij) de uitzondering. In ongeveer de helft van ‘primitieve’ culturen mogen mannen meer dan één vrouw hebben, en in de praktijk hebben daar maar weinig mannen meer dan één vrouw: minder dan 5 procent.

Het Canadese onderzoek weerspreekt wel een eerder genetisch onderzoek uit 2004, door onder meer de geneticus Michael Hammer (in Molecular Biology and Evolution). Hammer analyseerde het verschil in variatie tussen het mitochondriaal DNA (dat alleen via de vrouwelijke lijn overerft) en het Y-chromosoom (dat alleen via de mannelijke lijn overerft). Hammer concludeerde dat er onder de menselijke voorouders twee keer zo veel vrouwen waren als mannen. Dat getal wijst wèl op dominantie van veelwijverij.