Van nabij

‘In 1999 is er een boot dwars door de ruiten gegaan. Dat was pas een storm.’ Ik denk dat ik het goed heb verstaan. De barjuffrouw maakt hoekige bewegingen met haar armen en werpt haar lichaam naar voren, om te illustreren hoe de boot met een enorme golfslag de bar in moet zijn getorpedeerd.

Ze kijkt naar een schilderij van een eiland. De mannen aan de bar kijken naar haar.

Ik zit voor het raam en kijk naar buiten, over de Baai van Douarnenez. Ik zie meer water dan lucht. Aan de overkant van het lichtgrijze water liggen groene heuvels, als handen die elkaar bedekken.

Mijn Frans is slecht genoeg om mij te doen geloven dat iedereen boeiende gesprekken voert. Aan het tafeltje achter mij vang ik iets op over het principe van Heisenberg in relatie tot keuzeverlamming. Naast mij wordt de literaire voorkeur van Sarkozy onder de loep genomen. En voordat de mannen aan de bar over de storm begonnen, hoorde ik een van hen zeggen: „Een nationale identiteit heeft geen contouren, dát is het probleem.”

Wanneer de mannen luidkeels verkondigen dat ze 3 van de 45 mensen kenden die omkwamen in de storm, antwoordt de barjuffrouw dat zij er 4 kende. „Nee 5. Ik werd zelf bijna de zee in gesleurd”, zegt ze. „Met kinderen, auto en al.”

De mannen vertellen dat ze op zee waren toen Xynthia opstak, de storm die deze week 45 levens heeft geëist in Frankrijk. „Onze boot ging als een tol door het water, en we zagen van nabij hoe zeven mannen van een boot werden geslingerd”, zeggen de vissers in koor.

„Grappig”, zegt de barjuffrouw ijzig. „Vanmorgen waren hier ook al mannen die hetzelfde hebben gezien. Van nabij.”

De vissers kijken naar de vrouw die de vloer begint te vegen. Ik kijk als enige op het water van de baai. Het water is rustig. Maar de vissersboten schommelen nerveus.

De lokale kranten staan vol met beelden van overstromingen. Op de voorpagina van Le Télégramme staat onder de kop XYNTHIA LA MEURTRIÈRE een paginagrote foto van een man die tot zijn middel door kolkend water waadt. In zijn hand houdt hij een paar schoenen. Zou hij iemand de droge schoenen willen brengen, of deze voor zichzelf bewaren? Misschien is het gemakkelijker op sokken door een overstroming te gaan dan op schoenen.

Ondanks alle nieuwsberichten, en de verhalen in het café, heb ik nergens hoog water gezien. Geen woeste zee, geen regen. Nog geen laars in een plas water. Net wanneer ik me begin af te vragen of men hier soms verhalen verzínt, zegt de barjuffrouw: „De zeven vissersvrouwen zijn vannacht gestorven van verdriet.” Ze kijkt voor het eerst naar buiten, in de richting van Île de Tristan.

Tristan verlangde op dit eiland zijn leven lang tevergeefs naar Isolde. Toen hij doodziek was en zijn wapenbroeder Kahardin vroeg haar te halen, beloofde Kahardin met witte zeilen te komen als hij Isolde aan boord had; zwarte zeilen zouden haar weigering aankondigen. Tristans jaloerse echtgenote loog dat het schip getooid was met zwarte zeilen, waarop Tristan stierf van verdriet.

„Zouden ze de 7 vrouwen nog bij de 45 optellen, of hebben ze dat al gedaan,” vraagt de barjuffrouw, aan niemand in het bijzonder.

De mannen blijven naar haar kijken en zien niet hoe een schip met zwarte zeilen traag voor het raam langs schuift.