tijdschrift

Tijdschrift: De Gids 2010-1

Een ‘letterkundige music hall’ voor Anton Korteweg dit keer, die zijn dichtersschap jarenlang combineerde met een baan als directeur van het Letterkundig Museum en in die hoedanigheid begin vorig jaar afgelost werd door Aad Meinderts. De ‘kersverse pensionado’, zoals interviewer Ad Fransen Korteweg noemt, heeft van de ironie een kunst gemaakt. Korteweg zette zich jaren in voor de Nederlandse letteren, maar verwerpt iedere dikdoenerij van schrijvers. Hij vindt dat ‘alleen grote dichters grote dichters moeten zijn, zoals Ter Balkt en Ouwens’, maar dat degenen die daaronder zitten (‘de goede tweede garnituur’) ‘zich niet moeten aanstellen (...) of er raar bij gaan lopen, in cafés rondhangen’. Voor de goede orde: Korteweg schaalt zichzelf bij die laatste groep in. Hij is dus directeur in ruste, maar je ziet hem na lezing van het interview zo weer op de fiets heen en weer pendelen tussen woonplaats Leiden en Den Haag, vermoedelijk nog met een broodtrommel onder de snelbinders ook. In z’n eentje, dat wel, want ‘er is wel eens iemand naast me komen fietsen, maar dan zei ik nooit wat terug’.

Ter gelegenheid van Kortewegs afscheid schreven bijna zestig dichters een gedicht, die nu in deze De Gids zijn samengebracht. Werk van ondermeer Remco Campert, Judith Herzberg, Rutger Kopland, Hans Verhagen en de grote H.H. ter Balkt. En van Micha Hamel, die in zijn bijdrage Ga fietsen man schrijft: ‘De directeur droomt/over die eindeloze baan/na zijn pensioen/Hij wordt dichter/en gaat eindelijk/aan het werk’. Het is niet allemaal uniek gelegenheidswerk, want zoals Gids-redacteur Maria Barnas bij een eerste lezing moest vaststellen: ‘een enkel gedicht kwam me bekend voor’. Korteweg zelf zal daar weinig problemen mee hebben. Hij zal te druk aan het werk zijn ook.