NRC Leesclub: duelleer mee over het Boekenweekgeschenk

Dieven

Jelmer Verhooff, hoofdpersoon van Duel, hackt de inbox van de kunstenaar Emma Duiker, pakt het vliegtuig naar Slovenië, vindt het stadje waar het schilderij van Rothko in een school voor zwakbegaafde kinderen hangt, schakelt een stel dieven in. Het lijkt opeens een ander boek, eerder een thriller. Maar die dieven blijken pure slapstick. Was Duel een strip, dan had Jelmer een blonde kuif en heette Slovenië Bordurië, was het een variant op het nooit afgeraakte Kuifje en de Alfakunst. Het kan ook té luchtig.

Die manco’s verduisteren wat het Boekenweekgeschenk voor en na Slovenië wél goed doet, en dat is ingaan op de vraag wat kunst goede kunst maakt: authenticiteit, conceptvastheid, publieksgerichtheid? Zwagerman weet die met elkaar strijdende zielen in één borst, die van Jelmer, te vangen en presenteert zijn dilemma’s overtuigend en geestig. Tegelijk kopieert hij met grote precisie genres, kunstschandalen, kunstperformances en een museumdirecteur (Gijs van Tuyl van het Amsterdamse Stedelijk), om zo de kunst en de literatuur te tonen aan een veel groter publiek dan alleen de kenners – bijna een miljoen lezers kunnen het Boekenweekgeschenk bemachtigen.

Dat is precies het ideaal van Emma Duiker, alleen stuurt die een echte Rothko (à 30 miljoen euro) naar de mensen, en toont Zwagerman ons een mindere versie van hemzelf. De plot verloopt vlot, maar loopt vertraging op tijdens de Sloveense episode, de thematiek is sterk, maar wordt weggeduwd door de slapstick. Diep gaat het nergens, urgent wordt het niet. Ook daarin loopt Duel parallel aan Untitled Revisited.

Daan Stoffelsen

Künstlerroman

De imitatie van de Rothko is een kunstwerk op zichzelf, dat door de gelauwerde kopiiste Emma Duiker wordt vervaardigd met toestemming van het Hollands Museum. Directeur Verhooff betrapt haar bij toeval, waarop de jonge kunstenares zich niet verschuilt, maar zich, als in een klassieke Künstlerroman ontpopt als mentor van Verhooff, zij met een volwassen kunstenaarsinzicht, hij met de nog te vormen ziel. Duiker verzet zich tegen ‘conventies over hoeveel een kunstwerk precies waard zou zijn’, bevrijdt de originele Rothko uit de ‘toonzalen van de musea’ en stuurt het op een reis naar Oost- Europa. Verhooff daarentegen bekommert zich aanvankelijk vooral om de vele nullen op het prijskaartje van de Rothko.

Als de museumdirecteur een queeste onderneemt om zijn origineel terug te krijgen, ontwikkelt hij een zekere sympathie voor Duikers werk (‘De ‘menselijke maat’ terugbezorgen aan heilig verklaarde topkunst – als er niet zoveel miljoen euro mee was gemoeid, school er veel goeds in’), maar als men hoopt op de omzwerving die men in klassieke Künstlerromans aantreft, de queeste waarin een jonge kunstenaar valt, groei doormaakt en – liefst samen met de lezer – tot een hernieuwde kunstopvatting komt, valt Duel toch tegen.

Aan de kunstopvatting van de lezer laat Zwagerman juist alle ruimte: ‘Iedereen mag alle boeken lezen, alle muziek horen, maar de beeldende kunst is in handen van een kongsi van geldmakers, statusjagers en snobs die zich collectioneur noemen. Dat kan niet langer. Daar is de kunst niet voor bedoeld.’ Deze woorden van Emma Duiker blijven aan de lezer om te beoordelen in een, uitstekend op haar woorden aansluitend, ironisch genoeg gratis weggegeven novelle, die daarmee juist als Boekenweekgeschenk weer een uitstekende drager van Zwagermans boodschap is.’

Bob Hopman

Huisvuil

Of een voorwerp nu van aluminiumfolie of wc-papier is gemaakt: zet het in een museumzaal en het publiek ziet het aan voor moderne kunst. In plaats van ‘verwaarloosd huisvuil’, zoals Zwagermans verteller het snerend bestempelt, wordt het daar ineens een ‘installatie’. De ironie, hier al overduidelijk, gaat nog verder. Hij treft ook de spreker. De kunstkenners, hier vertegenwoordigd door de museumdirecteur, weten eigenlijk zelf ook niet meer waar het onderscheid ligt tussen ‘echte’ kunst en – ja, wat eigenlijk, nepkunst? Verhooff deed zelf schamper over de jonge garde, maar ondertussen heeft hij zich door een van hen – juist die ‘monnikachtige kopiiste’ die hij wel bewonderde vanwege haar ambachtelijke vertolking van Rothko’s Untitled No. 18 – in de luren laten leggen. Maanden duurde het voor hij erachter kwam dat in zijn depot niet de echte Mark Rothko, maar haar kopie was achtergebleven.

Duel hekelt elders op een heel subtiel venijnige manier de kunst en zijn beschermers. Als lezer word je aan het twijfelen gebracht: kunnen we nog wel op de autoriteit aan van de zogenaamde kunstpausen? Die subtiliteit gaat naarmate de geschiedenis vordert echter steeds meer verloren, en dat komt de kritische lading van dit boek niet ten goede. Wanneer Verhooff en Olde Husink in Slovenië het schilderij gaan terughalen en er zelfs ingehuurde criminelen aan te pas komen, gaat het hele verhaal steeds belachelijker klinken. Het ligt er allemaal zo dik bovenop, dat alleen nog het nare gevoel overblijft geëntertaind te worden.

Karlijn de Winter