Niets is zo immoreel als een vak uitoefenen dat je niet verstaat

Hij wil alleen maar minister-president worden – niks anders.

Ik weet niet precies wat hij wél kan, maar dat in ieder geval niet. Iemand die in acht jaar vier kabinetten laat vallen, moet een ander beroep kiezen. Napoleon schijnt de lat nog hoger te hebben gelegd toen hij zei: „Niets is zo immoreel als een vak uitoefenen dat je niet verstaat”. Dat zou juist Balkenende zich toch hebben moeten aantrekken. Maar nee.

Toegeven zal hij het nooit – dat is nog zoiets. Meteen al in 2002 had je het geklungel met al die onbetrouwbare fortuynisten, later het stumperige gefluister met Piet Hein Donner om de Kamer te kunnen antwoorden inzake Mabel Wisse Smit (2003), het gebroddel over een ‘Paasakkoord’ met de afpersers van het toenmalige D66 (2005), de knoeiboel over Irak (2003-2010) en het doorzichtige gepruts over de ’kabinetseenheid’ rond Uruzgan: je gelooft niet wat je allemaal ziet passeren als je even de revue afneemt. Eind 2002, na de val van I, had hij z’n moraal al intellectueel samengevat: „Ook bij slecht weer moet er gevoetbald worden”.

Hij zal met genoegen het bericht hebben gelezen over de Zweedse piloot die dertien jaar kon werken op een vals vliegbrevet. Dertien jaar immoreel een vak uitoefenen!

Was met iemand als Agnes Kant ongeveer hetzelfde aan de hand?

Ik vreesde het.

Ik vreesde dat de sympathie en het ontzag voor haar leiderswerk allengs zou verdwijnen uit de SP-fractie. Dat zou ook niet anders dan menselijk zijn geweest. Je zat met z’n vijfentwintigen in de Tweede Kamer, je moest een deel van je vergoeding weliswaar afstaan aan de partijkas maar je had vastigheid – en drie avonden achter mekaar zag of hoorde je Agnes in een debat, en je dacht: daar gáán weer drie zetels. En misschien zei je partner het tegelijkertijd wel hardop, wat nog meer knaagde. Veertien parlementaire posities waren in de peilingen al verloren, en wéér begon ze dwars door een collega heen met overslaande stem haar gelijk te eisen – chagrijnig, humorloos, met achterhaalde wapens op de bres voor de arbeiders, boeren en soldaten die sinds lange tijd zelf ook al achterhaald waren.

Ze kon het niet. Maar wie vertelde het haar? Ze vertelde het zichzelf; Was het niet een typisch leeg Balkenende-cliché dat je ook bij slecht weer zou moeten voetballen?

Als u Gerrit Zalm was, zou u dan maandagochtend gewoon weer naar kantoor durven?

Waarom overigens was de uitslagenavond vooral zo treurig en troosteloos? Ik denk vanwege al die leiders die – volle winst of lelijk de klad erin – hun campagnevolk in gelijke bewoordingen complimenteerden met de wijze waarop het (‘met enthousiasme en inzet’) de partij weer op de kaart had gezet. Sommigen deden het uit hun hoofd, en stotterden erbij, waardoor het nog enigszins verdraaglijk klonk. Alexander Pechtold had z’n toespraakje thuis eerst bedacht en opgeschreven, en gedurende dat scheppingswerk zowel aan Martin Luther King als aan Obama gedacht. Vooral het slot moet hem zijn bevallen.

„Willen we het anders?”, spoorde hij zijn fellow democrats met een handgebaar aan – en vanuit het zaaltje riep de kleine, opeengepakte menigte:

„Jaaah!”

„Moet het anders?”, vroeg de leider, en als in de catechismus van D66 klonk het oorverdovend:

„Jaaah!”

„Op 9 juni”, voorspelde Alexander, „zal het anders”, en de vergadering barstte bijkans uit haar voegen van geluk.

Aan het gezicht van de voorzitter kon je zien dat hij meer een tekst dan een hartekreet had geslaakt, en misschien daarom moest ik even denken aan de columnist die hem in 2005 en 2006 consequent ‘het kereltje Pechtold’ noemde. Hij was toen nog geen lijsttrekker van D66, maar een rebels minister, in Balkenende II.

Ik ben benieuwd of hij nog bijtijds een kerel wordt.

jan blokker