Meer uitvreter dan gedacht

In een tweewekelijkse serie over boeken die bijna onopgemerkt bleven: twee brieven van Nescio, ruim een eeuw geleden gepost in Middelburg en Veere.

Onlangs kwamen bij de erven Nescio twee brieven van de schrijver voor de dag. Bijzondere brieven: lang, onderhoudend, geestig en ontroerend. In juli 1908 was Nescio 26 jaar en vader van een dochter. Zijn vrouw Aagje was opnieuw zwanger. Hij wilde eruit, en hij trok vanuit Amsterdam naar Zeeland. Uit Middelburg en Veere schreef hij aan zijn ‘Liefi’, ook wel ‘Os’ en ‘Ossie’ genoemd. Hij vertelt over de reis, de andere gasten, het weer, de taal, de stemming.

Er zit een mooi verslag bij van de geluiden die ‘een Bels’ in het gehorige kamertje naast hem maakt. ‘ ’s Morgens begon i schoten te lossen, te blaffen, te proesten en te stommelen en allerlei malle geluiden te maken die ik niet begreep. Ik geloof dat i 2 of driemaal in de pot gewaterd heeft.’ Of hij vertelt dat hij zich heeft laten overzetten van Veere naar Noord-Beveland. Daar ziet hij hoe er in Kamperland met ploegpaarden, een ploeg, een katrol en lange, dikke staaldraden een weg wordt aangelegd. ‘Oue lullen met wit haar en pijpies’ kijken vol ontzag toe.

Zoals bij alles wat Nescio schreef dringen ook hier de gevoelens door zijn beschrijving van de buitenwereld heen. Eerst ergert hij zich aan het ‘klootjesvolk bij den weg’. Hij voelt zich eenzaam en heeft zelfs heimwee, ofwel ‘spleen’. Maar dat wordt allemaal anders als hij naar Veere gaat. Hij logeert in de Kampveersche Toren, met water voor de deur. Daar ontmoet hij een niet met name genoemde ‘franzoos’ met wie hij het geweldig kan vinden. ‘Zooiets als dit heb ik nog nooit beleefd.’ Spleen is ‘Nirwana’ geworden. ‘Soms springen mij vanzelf de tranen in de oogen, zoo maar zonder dat ik ergens aan denk, enkel van de welbehagelijkheid.’ En dan werkt ook alles mee: ‘alle weer is hier goed’, ‘en goedkoop is ’t hier ook’.

Deze sfeer kennen we wel uit Nescio’s latere verhalen. Als hij dan ook nog eens beschrijft hoe hij urenlang met de franzoos op het dak van ‘het hospitaal’ in Veere heeft gezeten, en daar eindeloos over het weidse landschap heeft uitgekeken, dan weten we genoeg: we zitten hier midden in het ontstaan van De uitvreter – en er zit meer Nescio in uitvreter Japi dan we tot nu toe dachten. Niet alleen de ervaringen, maar ook sommige formuleringen zijn hier al te vinden. ‘Ik doe aldoor ’t zelfde net als ’t water en de Arnemuiders. De eene golf rolt over de andere en daarna zie je ze nooit weer om, zo leef ik hier [...]”

In het nawoord duikt nog zo’n verrassend verband tussen werkelijkheid en verhaal op. Daar citeert Lieneke Frerichs een pas teruggevonden antwoordbriefje van Ossie aan haar ‘Venti’ die zich blijkbaar zo goed vermaakt in Veere. Het zal tientallen jaren later vrijwel letterlijk worden opgenomen in het verhaal ‘Insula Dei’– en dan opmerkelijk genoeg als een brief van de vrouw van de ongemakkelijke verhaalfiguur Flip.

Het heeft dus niet zoveel zin om bij Nescio op zoek te gaan naar modellen uit de werkelijkheid. Uit de versies die er van zijn verhalen bestaan, en ook weer uit deze brieven, valt af te lezen dat zijn karakters uit veel verschillende figuren zijn samengesteld, zoals omgekeerd Nescio zichzelf over een hele waaier van personages heeft proberen uit te schrijven. Niet zo vreemd voor iemand met zulke wisselende stemmingen – binnen enkele dagen van Spleen naar Nirwana.

Nescio: Brieven uit Veere. Bezorgd door Lieneke Frerichs. G.A. van Oorschot, 48 blz. € 15,-.