Kroniek van een rampzalige jeugd

Kinderen van kunstenaars schreven al eerder over hun turbulente jeugd. Maar niet vaak zoals de Britse schrijfster Julia Blackburn heeft gedaan in ‘The Three of Us’.

Julia Blackburn: The Three of Us . Jonathan Cape, 320 blz. € 20,- De vertaling verschijnt in mei bij De Bezige Bij.

In één van de oude aantekenboekjes van haar moeder vindt Julia Blackburn een passage waarin haar moeder flink wat slaappillen heeft geslikt en overweegt er nog wat bij te nemen. ‘But what about me?’ vraagt de schrijfster zich af. ‘Hoe zou ik, je negenjarige dochter, het redden als je die pillen had ingeslikt?’ Na een uitbarsting van drie bladzijden kalmeert haar moeder een beetje. ‘Julia is erg begripvol’, staat er dan. ‘Maar nog te jong om me écht te kunnen helpen.’

Het is één van de weinige keren dat de volwassen Blackburn iets laat zien van de wanhoop en de razernij die haar weer overvallen moeten hebben bij het oproepen van haar kunstenaarsjeugd in de jaren vijftig en zestig. Blackburn is de dochter van een dichter, Thomas Blackburn, en een schilderes, Rosalie de Meric. Haar verhaal is bekend: het decennium van drank, sigarettenwalm en veel Freud bracht slechte ouders en dus goede schrijvers voort. Maar wat die giftige cocktail betekent in een kinderleven werd bijvoorbeeld in Esther Freuds Hideous Kinky niet zó uit de doeken gedaan als hier. Of misschien was het daar niet zo erg.

Blackburns vader was behalve aan de drank ook verslaafd aan een barbituraat en daardoor gewelddadig en depressief. Maar pas echt bang was ze voor haar moeder, die geobsedeerd was door seks en mannelijke aandacht en haar dochter aanvankelijk als last en vanaf haar vroegste puberteit vooral als concurrente zag.

Toen Julia klein was, vochten haar ouders als kat en hond. Het kind lag half wakker in bed om op het juiste moment naar beneden te kunnen schieten om voor haar moeder te gaan staan als schild, ‘terwijl mijn vader als een bokser om ons heen sloop’. Zijn dochter krenkte Thomas Blackburn alleen per ongeluk, als hij uithaalde naar haar moeder.

Haar moeder neemt elke gelegenheid te baat Julia in te wrijven hoe de zwangerschap haar lichaam en leven heeft verpest. De dertienjarige krijgt een dagelijkse portie gedetailleerde seksuele voorlichting – Rosalie wil Julia zelfs leren hoe ze moet masturberen. Met vakantie boekt Rosalie voor Julia een kamer in een ander pension, zodat ze zelf vrijelijk mannen kan scoren.

Na de scheiding neemt Rosalie de ene na de andere kamerhuurder in huis, telkens met het oog op een affaire. Aan tafel maakt ze dubbelzinnige opmerkingen. Sommige huurders maken toespelingen tegen de dochter, gasten belagen haar. Bij huurder nummer zeven, Geoffrey, mag de vijftienjarige Julia van mamma niet in de buurt komen. Naar nummer acht duwt Rosalie Julia juist toe – ze gaat braaf met deze Herman naar bed en trouwt later zelfs met hem.

Maar voordien gebeurt datgene waar Rosalie zo bang voor was – en tegelijk onbewust zo op aanstuurde. Na een periode van drugsgebruik en wisselende vriendjes begint de dan achttienjarige Julia een verhouding met Geoffrey, die later zelfmoord pleegt. Waar de opgroeiende Julia als enig verweer zo hard krijste dat ze buiten westen raakte, daar heeft in de oudere Julia tegen die tijd een soort uittreding plaats gevonden; ze is er niet meer helemaal bij.

Julia Blackburn schrijft het allemaal zorgvuldig en sec op, het leed verborgen in schrijnende zinnetjes als ‘ik wou dat ik mijn dikkere nachtpon bij me had gehad, dan had ik me veiliger gevoeld.’ Ze mengt haar eigen verhaal met passages over de laatste maand van haar moeder, die met flair haar sterfproces doormaakt en dan opeens wél in staat is haar dochter te zien en empathie voor haar te koesteren. En ze beschrijft de jeugd van haar ouders, vol onderdrukte seks en geestelijk en lichamelijk geweld. Haar vader kreeg ’s nachts een metalen constructie rond zijn kruis en heupen geschroefd tegen natte dromen, haar moeder had een ouder zusje dat het lievelingetje van hun vader was – dusdanig dat hij ’s nachts bij haar in bed kroop, terwijl het kleine zusje toeluisterde in het donker. Rosalie verdoemt op haar beurt haar dochter en zichzelf tot destructieve driehoeksverhoudingen.

‘Het was allemaal erg theatraal’, schrijft Blackburn over de ruzies van haar ouders. Later stelt ze zich alle betrokkenen op een leeg toneel voor, met een publiek dat oordeelt en het lijk van Geoffrey in het midden. Zo plaatst Blackburn haar rampzalige jeugd, én haar boek daarover, in perspectief. Op de generaties die seks en emoties onderdrukten, volgde de generatie die er totaal in doorsloeg. Constante in de geschiedenis is dat de volwassenen hun preoccupaties vrijelijk konden uitleven op hun kinderen.

Een slechte jeugd geldt is een goudmijn voor een schrijver luidt het cliché – maar de prijs lijkt hier heel hoog. Het knappe is daarom dat Blackburn kans zag de slachtofferrol te overstijgen, alvorens ze haar boek schreef. The three of us is een ingetogen boek over emotionele exhibitionisten, perfect in evenwicht tussen distantie en intimiteit, tussen haat en liefde. Zoals de zesjarige Julia haar vader al schreef: ‘Dear Daddy I hate you. Lots of love Julia.’