Ik wens je veel confetti op je pad

Vijfenzeventig auteurs schreven voor de Boekenweek een brief aan zichzelf op jonge leeftijd. Schrijfster Franca Treur las het boek dat daaruit voortkwam, ‘Titaantjes waren we’, en schreef een brief aan zichzelf als jong meisje.

Dag Franca,

Ja, een brief uit Amsterdam voor jou. Daar kijk je van op, hè? Ik weet het, jullie krijgen meestal alleen enveloppen van de melkfabriek en van de Belastingdienst. En verder natuurlijk rekeningen, die je vader zuchtend achter de radio wegsteekt. Deze brief kun je hem beter maar niet laten lezen. Hij is alleen voor jou bedoeld.

Ik schrijf je om je een beetje voor te bereiden op het leven dat je zult gaan leiden. Op dit moment weet je van toeten noch blazen. En natuurlijk weet je ook nog niet wat je later zult gaan worden. Juf of verpleegster lijken zo’n beetje de opties. Toch stond er een paar jaar geleden al in de kantlijn van je opstelschrift ‘ga je soms later boeken schrijven?’

Later? Hoezo later? dacht je toen. Het leek je een fluitje van een cent. Je was tenslotte al bijna negen. Je fabriceerde een boekje van papieren die je aan elkaar had geniet.

Je schreef. Een familie zat aan tafel en de vader las na het eten uit de bijbel voor. Over Jona die naar Nineveh moest om te prediken, terwijl hij daar geen zin in had, omdat er in Nineveh alleen maar goddeloze mensen woonden. In alle reformatorische kinderboeken die je hebt gelezen, zitten families aan tafel en wordt er uit de bijbel gelezen. Maar je vond er al na drie pagina’s niks meer aan. Je schrijfproject lag alweer op zijn gat.

Dat was een goede beslissing van je. Als je je eigen verhaal niet bijzonder vindt, is het niet goed genoeg. Op obligate verhalen zit niemand te wachten en debuteren hoeft niet op je negende. Schrijver Joost Zwagerman was 22, en hij was uitzonderlijk jong. Jan Wolkers en Connie Palmen waren 36. Zij werden ook jong genoemd.

Deze wapenfeiten haal ik uit het boek Titaantjes waren we, een boekenweekuitgave waarin 75 auteurs een brief aan hun jongere ik schrijven. Daar heb ik dus net in zitten lezen. Die schrijvers geven hun jongere ik adviezen en sommige daarvan zal ik aan je doorspelen. Ik denk dat je dat wel leuk vindt om te horen. En als je dertien bent, snap je de meeste dingen al wel.

Ik heb al gelezen over schrijvers (vooral vrouwen) die vroeger net als jij met een zaklampje onder de dekens lagen te lezen. En over het eeuwige tekort aan goede boeken. Helaas heb ik nog niets kunnen vinden over de oplossing voor dat probleem. Probeer als het enigszins kan naar de Zeeuwse Bibliotheek te gaan. Daar hebben ze verschrikkelijk veel. De burgemeester gaat er elke maandagavond heen met zijn dochter. Vraag of je mee kunt rijden.

De mannelijke auteurs schrijven in het algemeen vooral over de hormonen die op zeker moment het leven zullen gaan overnemen, en ook daar hebben ze geen goeie tips voor, alleen een waarschuwing dat het eraan zit te komen. Daar heb je dus niet veel aan. O wacht, hier heb ik nog iets interessants, van Tommy Wieringa. Hij schrijft ‘zorg dat je, wanneer je daar de leeftijd voor hebt, een betrouwbare geliefde vindt. Liefst een die piano speelt. Blijf daarbij. Dwaal niet af. En vind een huis waarvan het dak niet lekt. […] Eet uien tegen kanker.’ Dat klinkt wel tamelijk praktisch, al ben je er nog wat jong voor. In het boek staan geen christelijke schrijvers, dus nogmaals, laat deze brief verder aan niemand lezen.

Waar ik wel om moest lachen, was een recalcitrante bijdrage van Arnon Grunberg. ‘Recalcitrant’ ken je wel, hè? Je hebt al zo’n grote woordenschat, van al dat lezen. Het merendeel is 17de-eeuwse Statenbijbeltaal, maar ook wat het hedendaagse Nederlands betreft, ben je niet helemaal van gisteren. Maar Grunberg dus. Die had initiatiefnemer Henk Kraima, directeur van CPNB (dat zegt je allemaal niks, maar dat komt later wel) in een mailtje (soort briefje via de computer) laten weten dat hij niet meedoet. Hij schrijft: ik zou niet weten wat ik anders aan mijn jongere alter ego zou kunnen schrijven dan ‘het was beter geweest als je niet was geboren.’

Hij vervloekt zijn geboortedag. Ja, inderdaad, net als Job en Jeremia in het Oude Testament. Daar denk jij dan natuurlijk weer meteen aan. Maar zowel Job als Jeremia werden uiteindelijk nog door de Heere uit de banden van hun depressie gered.

Of je voor Arnon Grunberg moet gaan bidden? Ach. Dat moet je zelf weten.

Ik denk niet dat hij er veel van zal merken. Op dit moment bidt half reformatorisch Nederland voor mij en ik moet zeggen dat er nog steeds niets is gebeurd. Je zult zeggen dat ik mijn hart dan zeker heb verhard, en dat is misschien ook wel zo.

Het is voor jou niet voor te stellen dat je ooit ongelovig zult worden. En toch komt er een moment dat je je geen christen meer noemt. En als je zo’n acht jaar later een boek schrijft dat speelt in een bevindelijk-gereformeerde gemeenschap, dan zal heel gelovig Nederland over je heen buitelen met de vraag waar het met jou is misgegaan. Dat is tenminste wat er op dit moment met mij gebeurt.

Niet dat ze in mijn boek hebben kunnen lezen dat ik niet meer geloof. Daar staat het nergens. Maar wel in de krant, omdat elke interviewer daarnaar heeft gevraagd. En sindsdien zijn de gelovigen op zoek naar het lek in de reformatorische pijplijn van wieg naar graf, die ze tot voor kort nog waterdicht hadden gewaand.

Dat lek wordt allereerst in mijn opvoeding gezocht. Was er in huize Treur wel sprake van een levend geloof? Of ging het daar alleen maar om de regeltjes, zonder dat men iets van de ware liefde van Christus kende? Ook zoeken ze het bij mijn vroegere reformatorische school. Was ik daar wel genoeg gewaarschuwd voor de gevaren van seculiere literatuur? Je zult merken dat het je in je leven aan waarschuwingen niet zal ontbreken. Bood dan, vraagt men ten slotte wanhopig, de reformatorische studentenvereniging wel genoeg ruimte om twijfels te bespreken en is er toen wel een degelijk bijbels tegengeluid geweest?

Mijn boek en vooral ikzelf zijn onderwerp van discussie geworden, die tot op de dag van vandaag woedt in bezinnende artikelen in kranten, tijdschriften en op www.refoforum.nl (dat is ook iets op de computer). Zelfs de hoofdredacteuren van het Reformatorisch Dagblad en het Nederlands Dagblad vinden dat ze zich er officieel over moeten uitspreken.

Er zijn grofweg twee opvattingen. Het ene kamp schrijft dat ik te veel media-aandacht krijg, waardoor jonge mensen, die nog niet zo stevig in hun schoenen staan, onnodig nieuwsgierig naar me worden. Het doet me denken aan mensen die in opiniestukken schrijven dat de media te veel achter Geert Wilders aanlopen. (Wilders is een politicus met aparte ideeën, van wie ze bang zijn dat hij in de regering komt.) Dit kamp had het boek liever doodgezwegen, ware het niet dat het in de reformatorische gezinnen al van hand tot hand was gegaan. Zoveel aandacht verdient zoals je begrijpt alleen de Heilige Schrift.

Het andere kamp vindt dat ik de reformatorische lezers een spiegel voorhoud, waaruit ze kunnen leren dat het nauw luistert met de reformatorische opvoeding. Ze zien mijn boek als kritiek op de cultuur waarin ik ben opgegroeid. Niet op het geloof op zichzelf, want daar is geen kritiek op mogelijk. God bestaat. Dat weet iedereen. Zelfs de heidenen hebben een ingeschapen godskennis. Dat zul jij nog wel beamen. Ik heb in hun ogen een tijdelijke inzinking, maar ik kan nog worden teruggehaald naar de kudde. God zoekt het verlorene, en ze hopen dat hun brief of e-mail daarbij kan helpen.

‘Ik was net als jij’, mailen ze. ‘Maar toen kwam er een moment in mijn leven dat alle puzzelstukjes op hun plaats vielen en ik dacht: wie ben ik dat God nog naar mij omziet. Zo’n moment wens ik ook jou van harte toe. Vraag er de Heere maar om.’ Of: ‘Soms gaat de grote Herder vrij hardhandig om met die weglopers; houd ook daar rekening mee. Ik houd niet van horror, maar in jouw geval denk ik wel eens aan vuur, of water dat door een autoportier naar binnenkomt, of aan de witte lakens van een intensive care bed (in het AMC bijvoorbeeld).’

Tja. Je zou tegen die tijd misschien een leugentje om bestwil moeten overwegen. Of je kan tegen de journalisten zeggen dat je geloof een privézaak is. Wie weet helpt het, al vrees ik van niet. Houd er maar vast rekening mee dat het maar weinig lezers gaat om de taal, de cadans van de zinnen, de geheimenis van de woorden, om dat waar je tijdens het schrijven zoveel plezier aan hebt beleefd.

Ik realiseer me dat ik je schrik heb aangejaagd. Je wilt niet liegen en je wilt al helemaal niet ongelovig worden. Wees gerust, dat zal niet van de ene op de andere dag gebeuren. En als het gebeurt, wordt je leven er alleen maar beter van. Weet je nog dat je als kleuter altijd een dier wilde zijn, omdat dieren niet in de hel kunnen komen? Ik weet dat je dat nog steeds wel eens denkt. Hoe opgelucht zul je straks zijn wanneer blijkt dat de hel een verzinsel van mensen is.

Het is overigens niet zo dat ik op jou, je familie en op alle refo’s neerkijk. Juist niet. Veel van de subcultuur waarin je opgroeit is me heel erg dierbaar, en naar jouw leven kijk ik juist met heimwee terug. Maar ik wens het iedereen toe om af en toe eens van een niet-gelovig perspectief naar de dingen te kijken. Omdat dat bevrijdend is. Het is zonde om je hersenen per testament te vermaken aan de Heere en Zijn dienst. Daar heb je ze namelijk niet voor gekregen.

Ik wens je nog veel confetti op je pad.